Hoe een onvermijdelijke volgende crisis te voorkomen

Door de Grote Recessie van 2008 zijn de machtsverhoudingen in de wereldeconomie blijvend verstoord. Tips voor leiders: bezuinig en stop de geldpersen.

Illustratie Rhonald Blommestijn

Hoe ondankbaar zijn deze crisistijden voor politici. Ze hebben, sinds de financiële crisis in september 2008 tot een hoogtepunt kwam, geprobeerd om de ellende voor hun bedrijven en burgers te beperken. Ze zorgden ervoor dat de gevreesde herhaling van de Grote Depressie uitbleef. De crisis van 2007 en 2008 is dankzij hen niet meer geworden dan ‘slechts’ een Grote Recessie.

De kosten van de crisis zijn intussen hoog opgelopen. Overheden hielden de financiële sector en de rest van de economie op de been met enorme stimuleringspakketten. De monetaire sluizen gingen open, maar geen econoom weet eigenlijk wat de gevolgen zijn van de golven van geld die over de wereldeconomie spoelen. En terwijl in het ene deel van Europa, met Duitsland voorop, de economie weer bloeit, betalen Griekenland, Ierland, Portugal en Spanje de rekening.

In algemene zin lijken westerse economieën op de crisis te hebben gereageerd vanuit een bijna ouderwetse wereldopvatting. Als Europa en de Verenigde Staten nu maar met vereende krachten hun economieën zo snel mogelijk weer uit de recessie laten groeien, verdwijnen de problemen als vanzelf. De crisis van 2007 en 2008 lijkt echter voor blijvender schade te zorgen, en dat heeft een belangrijke onderliggende reden.

Sinds 2001 brokkelt de Amerikaanse hegemonie in de wereld af. Niet alleen omdat moslimterroristen Amerika uitdaagden met de aanslag op de Twin Towers. 2001 was ook het jaar waarin China toetrad tot de Wereldhandelsorganisatie. Daardoor werd China de productiehal van de wereld.

De Grote Recessie zal met terugwerkende kracht door historici bestempeld worden als de crisis die het verlies van de economische macht van het Westen aan het Oosten zichtbaar maakte. Wat in de plaats komt voor de Amerikaanse hegemonie is nog volstrekt onduidelijk.

Dit verstoorde machtsevenwicht zorgt niet alleen voor bedreigingen, het biedt ook kansen. De keuzes die gemaakt moeten worden zijn vaak harde keuzes, die electoraal gevoelig liggen en zeker op de korte termijn veel pijn doen. Maar het kunnen keuzes zijn die op de lange termijn eerlijker, evenwichtiger en daarmee beter uitpakken dan de op electoraal gewin geschoeide ad hoc-maatregelen die nu vaak genomen worden. Hieronder enkele suggesties.

1Bouw die schulden af

De jaren voorafgaand aan de Grote Recessie waren de jaren van ongebreidelde schuldengroei. De klap van 2007 en 2008 lijkt vooralsnog niet tot een totaal ander bewustzijn bij burgers, bedrijven en overheden te hebben geleid als het gaat om schulden. Het meest extreem is de situatie bij de overheden: zij hebben een groot deel van de private schulden overgenomen, waardoor in de hele westerse wereld de staatsschuld als percentage van het bruto binnenlands product is geëxplodeerd tot nabij de 100 procent.

Er is inmiddels een hele stapel onderzoeken gepubliceerd waarin wordt vastgesteld dat een economie die na een crisis zijn schulden niet afbouwt, een tragere groei zal kennen dan een economie die dat wel doet. De Amerikaanse economen Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff bewezen het in hun studie naar crises door de eeuwen heen, maar ook adviesbureau McKinsey toont het aan in een zeer praktisch onderzoek naar schuld en schuldenafbouw. Hoe sneller de extreme schuld wordt afgebouwd, des te sneller het pad omhoog weer gevonden kan worden.

Schuldvermindering is niet alleen belangrijk voor het herstel van de groei, maar ook voor onder meer de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op langere termijn, zeker gezien de kosten van de vergrijzing. Ook de betaalbaarheid van de schuld is beter te garanderen wanneer die beperkt in omvang is dan wanneer de schuld extreem hoog is. Dergelijke hoge schulden zijn veel kwetsbaarder voor aanvallen van financiële markten dan lagere schulden: een procentpuntje extra rente tikt nu eenmaal harder aan naarmate het bedrag waarover dat betaald moet worden hoger is.

2 Niet allemaal tegelijk alstublieft

Het bezuinigingsvirus heeft in 2010 toegeslagen, en hard ook. Het nieuwe Nederlandse kabinet wil 18 miljard bezuinigen in vier jaar, het Britse zelfs 81 miljard. Het is eenvoudig om deze harde ingrepen te verdedigen: ze zijn nodig om de gaten te dichten die de crisis in de overheidsfinanciering heeft geslagen en de kosten voor de vergrijzing draaglijk te houden. Daarbij komt ook nog eens de tucht van de markt, met Griekenland als afschrikwekkend voorbeeld. Dus kan een overheid een dramatisch beeld schetsen. „Anders gaat Groot-Brittannië bankroet”, zoals minister van Financiën George Osborne zei.

Het zorgt binnen twee jaar voor een radicale verandering van beleid. Na het hevige stimuleren in 2008 en 2009 om de economie voor een vrije val te behoeden, wordt er nu gesneden. Kort samengevat is de kritiek daarop: snoeien voorkomt groeien. Consumenten besteden minder, bedrijven investeren minder en nu zet de overheid ook nog de rem erop. De enige vraag kan nog uit het buitenland komen, maar omdat iedereen bezuinigt valt dat ook terug. Kortom, economische groei kan nergens vandaan komen, belastingopbrengsten lopen verder terug en werkloosheid loopt verder op.

Commentator Martin Wolf schreef in de Financial Times dat in Groot-Brittannië een plan B ontbreekt. Als de bezuinigingen leiden tot grotere daling van groei of zelfs krimp, wat dan? Wat voor Engeland geldt, geldt ook voor Nederland. Als de bezuinigingen een groter negatief effect hebben op groei en werkgelegenheid dan nu voorzien, loopt het kabinet vast in zijn ambities. Het kabinet-Rutte is, net als haar Britse collega’s, gaan bergbeklimmen zonder touw.

3Houd de banken in de gaten

De banken zijn tot nu toe betrekkelijk goed weggekomen uit de crisis. Ze moeten meer kapitaal gaan aanhouden, het toezicht is aangescherpt en ze moeten soms delen afsplitsen (ING bijvoorbeeld), maar aan hun manier van opereren wordt niet wezenlijk gesleuteld. De echte discussie of en hoe de financiële markt heringericht zou moeten worden, is niet op fundamentele wijze gevoerd.

De financiële sector blijft een complexe en onoverzichtelijke industrie, met een krachtige lobby. In veel landen voelen politici en centrale bankiers zich uiteindelijk gelukkiger met sterke nationale banken dan dat ze het gevaar daarvan willen onderkennen.

Een uitzondering is president Mervyn King van de Bank of England. In oktober dit jaar, nadat de centrale bankiers het eens waren geworden over een nieuw toezichtspakket (Basel III), zei King in een lezing dat de in het akkoord voorgestelde hogere kapitaalbuffers „op zichzelf geen volgende crisis zullen voorkomen”. Hij zoekt naar andere manieren om de sector te organiseren, „want van alle manieren om het bankieren in te richten, hebben we vandaag de dag de slechtste”.

King heeft zich sinds 2008 een aantal keren voorstander getoond van het beter nadenken over een scheiding tussen ‘nuts- en casinobanken’. De regering van David Cameron zette een maand na haar aantreden in juni 2010 een Independent Commission on Banking aan het werk, die in 2011 met aanbevelingen moet komen om het bancaire systeem veiliger te maken. Onderdeel van de opdracht is ook nadrukkelijk om de mogelijkheden voor scheiding van commercieel en zakenbankieren te bekijken. De Britten realiseren zich hoe fragiel het financiële systeem nog is. Die discussie zal ook elders moeten worden gevoerd.

4Stop de geldpersen

Centrale banken begeven zich momenteel op onbekend terrein met hun beleid van grootschalige geldverruiming. Er is geen bewezen recept om uit een periode van deflatiedreiging te komen. Een economie waar de geldpers te vaak en te snel wordt aangezet, loopt het risico overvoerd te worden door nieuw geld. En te veel nieuw geld betekent op termijn: inflatie.

Het mag paradoxaal klinken, maar deflatie en hyperinflatie liggen in de economische praktijk van alledag angstwekkend dicht bij elkaar. Ze zijn de uiteinden van een hoefijzer, ver van elkaar verwijderd en tegelijkertijd bijna aan elkaar rakend. Die wetenschap zou centrale bankiers voorzichtig moeten maken bij het inzetten van beleid dat bedoeld is om deflatie te voorkomen.

De effecten van geldverruiming zijn uiterst twijfelachtig. De korte rente staat immers al op nul, de lange rente in de VS staat op 2,5 procent voor een staatsobligatie met een looptijd van tien jaar. En tegelijkertijd hapert de economie.

Het risico dat een nieuwe ronde alleen maar leidt tot meer inflatie die moeilijk onder controle te krijgen is, is te groot om te veronachtzamen. Beter is het om domweg te accepteren dat de VS en grote delen van de wereld eerst door een periode van schuldenafbouw zullen moeten gaan.

5Let op het echte protectionisme

De Duitsers hebben beter dan wie ook begrepen waar de komende jaren het gevaar voor de internationale handel schuilt. De Amerikanen klagen vooral hoe de Chinezen hun export bevorderen via de lage koers voor de yuan en pogen ze daarom te bewegen om hun munt te revalueren. Door ondertussen zelf via het monetaire beleid de koers van de dollar laag te houden, zijn de Amerikanen zelf maar beperkt slachtoffer van de valuta-oorlog. De eurolanden zijn grotere slachtoffers, Duitsland als grootste exportnatie voorop.

Toch hoor je de Duitsers nauwelijks klagen over valutamanipulatie. Zij vinden andere vormen van protectionisme van de Chinezen veel bedreigender. Dan gaat het om de diefstal van intellectueel eigendom, het aftroggelen van technologie om opdrachten te krijgen en het bevoordelen van de eigen bedrijven bij grote overheidsprojecten. En tegelijkertijd om de exportbeperkingen die de Chinezen instelden op de schaarse bijzondere metalen die nodig zijn voor de productie van hightech-wapens, televisieschermen, energiezuinige motoren en in de chemie. Meer dan 90 procent van die metalen komt uit mijnen in China

Duitsland probeert al allianties te sluiten met mogelijke andere leveranciers zoals Mongolië, Kazachstan, Peru, Chili en een aantal Afrikaanse landen. Maar het kan naar schatting tien jaar duren om in zo’n land een mijn op te starten. De Chinezen zeggen ondertussen dat buitenlandse bedrijven moeten investeren in China, willen ze van de aanvoer verzekerd zijn.

Daar zijn lang niet alle Duitse bedrijven happig op vanwege hun angst voor het weglekken van strategische technologische kennis. Het levert interessante vragen op voor politici. Maar een uitruil van deze twee schaarse goederen (grondstoffen voor kennis) lijkt onvermijdelijk in de toekomstige internationale handel.

Dit verhaal is gebaseerd op het boek Het Rampscenario van Egbert Kalse en Daan van Lent. Het boek ligt vanaf 1 december in de winkel.