Hij kwam slechts eenmaal in een benarde positie

Deze week behandelde de Tweede Kamer de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Hoe deed de nieuwe minister Ivo Opstelten het?

Op zijn dooie gemak voerde de nieuwe minister van Veiligheid en Justitie, VVD’er Ivo Opstelten, zijn eerste begrotingsdebat. Ontspannen zette hij zijn betoog uiteen: „Nederland veiliger maken, paal en perk stellen aan criminaliteit, overlast en geweld.” Met handgebaren en af en toe een kwinkslag zette hij zijn verhaal kracht bij.

Opstelten kwam alleen in een benarde positie toen de Tweede Kamer hem opnieuw aanviel over de politiesterkte. Volgens de oppositie maakt het kabinet zijn belofte van 3.000 extra agenten niet waar. Opstelten bestrijdt dat. Hij redeneert dat zonder dit kabinet 3.000 agenten ontslagen zouden worden. Nu behoudt hij de sterkte. Over die welles-nieteskwestie kan nog lang gesteggeld worden.

Veel meer weerstand riep Opstelten op toen hij vervolgens zei dat het eigenlijk „prettig” is dat die 3.000 agenten er al zijn. „Anders zouden wij nog moeten werven en mensen opleiden en dan zouden die 3.000 agenten pas over een paar jaar operationeel zijn.” De oppositiepartijen kreunden.

Ook over de animal cops werden minister en Kamer het niet eens. De fracties van onder meer SP, D66 en GroenLinks concludeerden dat de agenten die zich met de opsporing van dierenmishandeling gaan bezighouden, zich dus níét kunnen wijden aan de veiligheid op straat. Onterecht, volgens Opstelten. Er komt alleen meer prioriteit voor de aanpak van dierenmishandeling. „Ik constateer dat de fractie van GroenLinks niet vindt dat de politie adequater dan vroeger de dierenmishandeling moet aanpakken”, reageerde de minister, voor het eerst in het debat geprikkeld.

Over het algemeen verliep het debat gemoedelijk. Opstelten, die bijna zijn hele leven burgemeester was, is lastige gemeenteraden gewend. Hij is dus niet zo snel onder de indruk van felle kritiek uit de oppositie en beschikt over een natuurlijk gezag. Bovendien heeft Opstelten een stem die zo zwaar is dat hij die niet hoeft te verheffen om indruk te maken.

Tijdens de begrotingsbehandeling ontdekte Opstelten dat het niet genoeg is om te zeggen dat hij iets gaat aanpakken. De Kamer wil resultaten zien en vooraf meetbare doelstellingen horen. „Ik houd niet zo van percentages”, hield de minister de Kamer voor, maar toch liet hij zich verleiden. Zo wil hij de pakkans bij zware misdrijven met 25 procent verhogen.

Verder ontdekte Opstelten dat het weliswaar makkelijk is om te zeggen dat hij de minister is „die niet schrijft”, maar dat dit moeilijk vol te houden is. Toen hij op vragen over de aanpak van de zogeheten ‘witteboordencriminaliteit’ had gezegd hiervan een „topprioriteit” te willen maken, vroeg PvdA-Kamerlid Jeroen Recourt hem onmiddellijk concrete doelen op papier te zetten. Opstelten maakte omtrekkende bewegingen: „Het is een kwestie van resultaten laten zien om te kunnen beoordelen of wij succesvol zijn.”

Uiteindelijk kwam hij niet onder een brief uit, maar hij weigerde zich te laten vastpinnen op een datum. Ondanks herhaalde pogingen van Kamervoorzitter Verbeet die dat voor haar „administratie” wilde weten: „Kunt u geen indicatie geven? Een half jaar? Een jaar?” Opstelten zuchtte nauwelijks zichtbaar, keek Verbeet op zijn allercharmantst aan en zei: „Ik laat even in het midden op welk moment ik het doe. Dat wil ik namelijk zelf bepalen.”