Het Rode Partizanen Leger valt aan

Nu is het tijd om het recht in eigen hand te nemen, besluit de hoofdpersoon in Marc Reugebrinks nieuwe roman. Waarom radicaliseert hij?

Marc Reugebrink. Foto Hollandse Hoogte, Allard de Witte Belgie, Gent, 11-4-2008. Marc Reugebrink Hollandse Hoogte

Marc Reugebrink: Menens. Meulenhoff/Manteau, 264 blz. € 22,50

Twee jaar geleden won Marc Reugebrink de Gouden Uil met zijn wervelende roman Het grote uitstel – over de linkse jongerenbeweging van de jaren zeventig en tachtig – die eindigde in een grootse eindscène in Berlijn bij de val van de Muur. Grote geschiedenis vermengd met het persoonlijke verhaal van een hoofdpersoon die maar niet kan wennen aan een wereld zonder duidelijke ideologische kaders.

Het lijkt er haast op dat het plotselinge succes van Het grote uitstel Reugebrink verleid heeft om het dunnetjes over te doen. Want Menens, Reugebrinks vierde roman, lijkt verdacht veel op zijn gelauwerde voorganger. Weer belandt een wat onzekere hoofdpersoon in de Groningse linkse studentenwereld, waar krakers en orthodoxe marxisten verwoede discussies voeren over de antikapitalistische revolutie. Weer lijkt het politieke engagement van de hoofdpersoon meer met religieus verlangen te maken te hebben, is het niet zozeer een onrechtvaardige wereld die hem motiveert, als wel de aantrekkingskracht van het voorbehoudloze handelen uit overtuiging. En weer komt de recente geschiedenis aan de orde: de linkse terreur van RAF en RaRa, de Molukse treinkapingen en de finale van het Europees kampioenschap van 1988.

Deze laatste gebeurtenis beschrijft Reugebrink vanuit een prachtig panoramisch perspectief. Hoofdpersoon Leon staat op de vierde verdieping van het Gronings Academisch Ziekenhuis op de stad neer te kijken, met zijn pasgeboren dochtertje in zijn armen. In de verstilde roes van het verse ouderschap slaat hij de uitbarsting van volksvreugde gade, tot hij een jongen opmerkt die alleen op het dak van een woonboot het Wilhelmus begint te zingen: ‘dwars door alle rumoer, door alle spreekkoren en het opgewonden gebrul heen zong een jongen het Nederlandse volkslied, die treurige, zelfs wat elegische melodie die, zonder de woorden zelf, zonder die wat vreemde tekst met zijn referentie aan alles behalve het eigen volk, het eigen bloed, de eigen plek – die melodie die eerder beweent dan bezingt, eerder treurt dan triomfeert. Het is het lied van iemand die altijd het goede heeft gewild en het verkeerde kreeg. Die zijn diepe eerbied met onverschilligheid beantwoord zag, en wiens droefheid over de eigen, nu onvermijdelijk geworden opstandigheid, die opstandigheid zelf bijna overvleugelt.’

Dit kan Reugebrink erg goed, de verstilde romantiek van een eenling plaatsen in het rumoer van de grote geschiedenis. Het verhaal van Menens ligt dan ook in deze lijn: hoofdpersoon Leon neemt na de geboorte van zijn kind een radicale beslissing. Terwijl in de rest van de wereld de Koude Oorlog tegen zijn eind loopt, in het voordeel van het westerse kapitalisme, besluit hij om zijn leven te geven voor de revolutie waar bijna niemand meer in gelooft. Leon besluit om de rechtse hoofdredacteur van de grootste krant van Noord-Nederland, Derk Siebolt Douwes, te ontvoeren en te vermoorden. In lang uitgesponnen scènes volgen we hoe Leon en zijn anonieme kornuiten van het door hem opgerichte Rode Partizanen Leger Douwes’ BMW klemrijdt op de A28, hoe ze de corpulente hoofdredacteur in hun aftandse busje slepen, hoe ze hun slachtoffer door de weilanden slepen, en hoe Leon zijn gevangene bewaakt in een leegstaand huis. Veel meer gebeurt er niet in Menens, afgezien van de flashbacks naar Leons studententijd.

De grote vraag blijft intussen wat nu precies de motieven zijn waarom Leon nu pas, jaren na zijn studententijd, tot zijn radicale daden is overgegaan. Reugebrink laat voortdurend merken dat Leon tegen zijn natuur handelt, dat hij verhulde bewondering koestert voor de kranige selfmade man Douwes. Dat maakt het waarom van zijn acties des te intrigerender. Maar een bevredigend antwoord op die vraag blijft uit. Het blijft bij theoretisch aandoende passages over geloof; over de geestestoestand waarin persoonlijke gevoelens ondergeschikt zijn aan de bereidheid alles op te offeren. Of intellectuele redeneringen als deze: ‘Het ging erom partizaan te zijn. Om de irregulariteit. En om de mobiliteit. En om het engagement, de toewijding aan een rechtvaardigheid die verder ging dan wat er dienaangaande aan definities voorhanden was’.

Dat helpt niet om een invoelbaar beeld te krijgen van Reugebrinks geradicaliseerde hoofdpersoon. En dat is een cruciaal gemis, want de hele roman draait om de vraag wat Leon precies beweegt. Ook in zijn stijl laat Reugebrink zijn zinnen inconsistent samenvallen met Leons perspectief en gedachtegang: op onduidelijke momenten slaan die over in een heel andere verteltoon, die niets met Leons karakter te maken lijkt te hebben, of ze ontsporen in herhalingen, een stijlvorm die Reugebrink soms een meeslepend ritme mee kan geven, maar die op andere momenten irriteert. In Menens staan net te veel verkeerd geplaatste zinnen die de indruk geven dat de auteur gemakzuchtig aan het schrijven is geweest. En dat geldt voor de hele roman: het zwakke einde, het onuitgewerkte hoofdpersonage, het statische verloop van de gebeurtenissen – alsof Reugebrink er niet helemaal met zijn hoofd bij was. Dat Menens evengoed nog steeds een heel prettige roman is om te lezen, geeft aan hoe groot Reugebrinks talent is.