Een heer van stand in volks China

Wie wil weten hoe de Chinese samenleving ervoor stond in het begin van de 20ste eeuw, moet meereizen met de wijze heer Oud Afval, hoofdpersoon van een complexe, leerzame roman.

Een schilderij (200 bij 300 cm) van Li Dafang uit 2004 met de titel 'Ruan You'. Uit 'China Now' (2007)

Liu E: De reizen van oud afval. Vertaald door Jan De Meyer. Augustus, 394 blz. € 34,90

Oud Afval – hoe verzint iemand ooit zo’n bijnaam voor zichzelf? Het klinkt niet erg positief, maar dat blijkt het toch wel te zijn, zo licht vertaler Jan De Meyer toe in zijn uitgebreide voorwoord bij De reizen van Oud Afval. Deze roman van Liu E, oorspronkelijk gepubliceerd als feuilleton in een tijdschrift, werd geschreven in de beginjaren van de 20ste eeuw en wordt wel de laatste grote Chinese klassieker genoemd.

De meest uiteenlopende onderwerpen komen er in aan bod: traditionele geneeskunde, dijk- en waterbeheersing, landschapsschoon, goddelijke zangvoorstellingen, theedrinken, het belang van de poëzie in het klassieke China, de hiërarchie tussen de verschillende klassen, de gevechtsstijlen uit het beroemde Shaolinklooster, filosofische denkbeelden, en nog veel meer. De keerzijde is dat er ook behoorlijk wat uitgelegd moet worden aan de Nederlandse lezer. De vertaling is dan ook flink geannoteerd, en lijkt soms een wetenschappelijke studie.

De verhaallijn is eenvoudig: we volgen de hoofdpersoon op zijn tocht langs verschillende plaatsen en lezen over wat hij zoal ziet en meemaakt. Maar Oud Afval zelf (wiens naam alleen in de titel vertaald is: in de lopende tekst heet hij steevast Lao Can) is een complexe persoon. Hij verenigt de drie belangrijkste Chinese levensbeschouwingen in zich, confucianisme, boeddhisme en taoïsme. In eerste instantie valt vooral zijn volkomen onconventionele gedrag op. Waar deze rondtrekkende geneesheer ook heen gaat of voor wat voor situaties hij ook komt te staan, als een ware taoïst lijkt hij zich volledig te hebben bevrijd van persoonlijke angsten, publieke opinies of maatschappelijke conventies, die geen enkele invloed hebben op zijn opvattingen, keuzes en beslissingen.

Zijn onorthodoxe gedrag maakt Lao Can tot een sympathiek personage. Bovendien blijkt hij ook nog eens zeer barmhartig te zijn, een eigenschap die de boeddhistische leer vertegenwoordigt, zoals De Meyer meldt. Lao Can zet zich in voor de zwakkeren in de maatschappij. Hij bestrijdt hardvochtige ambtenaren, die onder het mom van rechtschapenheid en onomkoopbaarheid onschuldige burgers de dood in jagen. In de laatste hoofdstukken leidt dat zelfs tot een detectiveachtig verhaal als Lao Can door een bekwame hoge ambtenaar wordt gevraagd een slepende moordzaak tot op de bodem uit te zoeken.

Die zaak blijkt een peuleschilletje voor Lao Can, die werkelijk overal raad op weet en alle problemen kan oplossen – terwijl hij toch altijd de nederigheid zelve blijft. Die confucianistische deugd en zijn overdreven morele superioriteit, ook een confucianistisch trekje, doen hem als personage wel een beetje de das om: de rol van onkreukbare, bescheiden wijze begint op den duur wat irritatie op te wekken.

Volgens De Meyer geeft het boek een beeld van het ‘volkse leven van het toenmalige China, met name het leven in en rond de herberg’, maar dat lijkt wat te veel gezegd. Lao Can mag dan met zo weinig mogelijk bezittingen rondtrekken en heel wat ontberingen voor lief nemen, hij blijft toch duidelijk iemand van betere afkomst, die zelf hoe dan ook een bevoorrechte positie heeft. Boeren die in de modder moeten ploeteren komen in het boek niet voor; en al vindt Lao Can het zeker niet beneden zijn stand om met bedienden, prostituees, handelaren of herbergiers te kletsen, hij beweegt zich vooral tussen ambtenaren, die hem voor zijn verdiensten voorzien van overvloedige maaltijden of een warme witte vossenpels, die hij vervolgens steeds weer beleefd afslaat, omdat ze nu eenmaal niet passen bij een rondtrekkend geneesheer.

Het zal Liu E er minder om te doen zijn geweest om met Lao Can een man van vlees en bloed neer te zetten, dan om een beeld te scheppen van een maatschappij die in zijn ogen tot de ondergang gedoemd was. Hij heeft willen tonen wat voor maatregelen en menselijke eigenschappen er nodig waren om zijn land, dat er niet goed voor stond, er weer bovenop te helpen. Niet voor niets opent het boek met een allegorisch hoofdstuk over een zinkend schip. Als Lao Can en twee vrienden de mensen op de boot te hulp willen schieten, worden ze uitgemaakt voor verraders omdat ze de kapitein een westers kompas overhandigen.

Dit alles vergt behoorlijk veel van de nietsvermoedende lezer die het boek als ‘roman’ ter hand heeft genomen. Maar de doorzetter zal er geen spijt van hebben, als hij zich werkelijk interesseert voor het China van honderd jaar geleden.