Duidelijkheid

We fietsten over de Jacob van Lennepkade naar huis. Het was koud en de maan stond enorm en rond aan de hemel. Mijn zoon van drie wilde weten wat er met de maan gebeurt als de zon gaat schijnen.

„De maan is er nog steeds als de zon opkomt. Je kunt hem alleen niet meer zien”, zei ik om maar niet te hoeven beginnen over waar de maan zich dan precies bevindt.

Hemellichamen gedragen zich in mijn hoofd als landen op de aardbol. Als straten in mijn eigen stad. Als spullen op mijn bureau. Ze willen geen vaste plaats aannemen, hoe hard ik ook mijn best doe.

Gisteren lag mijn paspoort nog op mijn bureau. Ik weet het zeker. Mijn sleutels hingen aan het haakje bij de deur. Nu zijn ze onvindbaar. Wie heeft mijn telefoon gepakt? En wie heeft de schaar in de ijskast gelegd?

Ik en mijn eigendommen hebben geen natuurlijke relatie tot elkaar. Er is geen zwaartekracht die ons aan hetzelfde oppervlak bindt. De objecten in mijn huis – en vooral de meest belangrijke – zweven, zodra ik even niet oplet, in het luchtledige, om zodra ik opkijk op een willekeurige plek terecht te komen. Ik heb mijn telefoon eens teruggevonden in de broodtrommel. Mijn paspoort in de groentela. Om maar iets te noemen.

Hoe is het mogelijk dat diepte is weer te geven in het platte vlak, vraag ik me af terwijl ik kijk naar een zwarte schijf uit Sellers Atlas Coelestis uit 1680, die de zon voorstelt. Korte vlammetjes omzomen de zon. De vlammen zouden ook grassprieten kunnen zijn. Donkere wolken komen eruit tevoorschijn, als van exploderende bommen uit een stripverhaal. Ik begrijp deze kaartenmaker wel. Hij moest raden naar waar de zon uit bestaat. Vuur, weet ik, maar de rest zou ik moeten opzoeken.

Wat dat betreft verschil ik met mijn gebrekkige kennis en vertrouwen op Wikipedia, atlassen en Google in wezen niet veel van de speculatieve kaartenmaker die behalve wuivend gras ook bergen, water, vulkanen en wolken op de zon veronderstelde. Er werd eind zeventiende eeuw niet uitgesloten dat de zon bewoond was.

Zal ik deze kaart wel of niet aan mijn zoon laten zien? Zijn verbeelding zal erdoor worden gevoed. Maar duidelijkheid zal hij niet krijgen. Na enige aarzeling neem ik hem mee naar een pas geopende tentoonstellingszaal aan het Rokin in Amsterdam, in een statig gebouw van Tommy Hilfiger waar Center of the Universe, Follow Me van Alon Levin is te zien.

De zaal is zwart en wit geschilderd. Aan het met ornamenten versierde plafond hangen vier kabels die de enorme sculptuur van Levin boven de grond doen zweven. ‘Het centrum van het heelal’ – het zijn maar woorden, maar ze doen me kortstondig geloven dat ik er sta. Dat deze zaal het punt is waar de rest van het universum zich omheen moet zien te schikken. We overleggen waar het beeld ons aan doet denken. Een satelliet met molenwieken. Een ontplofte radio. Een ruimtestation.

„Wij staan in het midden van het heelal”, zeg ik terwijl ik me tegelijkertijd afvraag of hij dat woord kent.

Hij knikt. Dat wist hij al lang.

„Maar mama. Waar is de maan als de zon gaat schijnen?”

29 november verschijnt Fantastisch van Maria Barnas, een verzameling van haar columns in deze krant. De presentatie in Spui 25, Amsterdam is uitverkocht.

    • Maria Barnas