Deze week Beeldende kunst

Cecily Brown, 'Bandit', 2010, olieverf op doek, 216 x 226 cm.

Slierten verf dansen de polonaise

Cecily Brown: Based on a true story

T/m 27 febr in GEM, Stadhouderslaan 43, Den Haag. Inl: gem-online.nl

De titelfiguur in de roman De grote Joseph van Anneloes Timmerije spreekt een taal die niemand begrijpt. Hij functioneert normaal, gebaart en glimlacht, maar hij zegt bijvoorbeeld ‘prejumee’ of ‘kuhjemefasse’. Dat zijn ontegenzeggelijk woorden, maar niemand snapt precies wat hij ermee bedoelt.

Ik moest aan deze Joseph denken toen ik in het GEM in Den Haag de nieuwste, merendeels abstracte schilderijen van de Engelse schilderes Cecily Brown (1969) bekeek. Brown lijkt iets te willen vertellen in verf. Op een subtiele manier, met een bepaalde opbouw of structuur, met tempowisselingen en klemtonen, kortom: in een taal zoals die ook gebezigd wordt door schilders van échte verhalen, van figuratieve voorstellingen. Van veraf klinken haar verfstreken als bestaande woorden. Maar van dichtbij blijken ze geen taal te zijn die wij kunnen verstaan of lezen. Brown schildert prejumee en kuhjemefasse.

En toch blijft de verleiding groot om in haar abstracte schilderijen naar herkenbare vormen te zoeken. Je zou kunnen zeggen: die vormen bestaan alleen in the eye of the beholder, net als de gezichten, dieren of landschappen die je soms kunt ontwaren in een toevallige wolkenpartij of gestucte muur. Maar Browns composities zijn niet toevallig. De neiging er iets figuratiefs in te zien wordt door haarzelf aangewakkerd.

Haar eerdere werk was figuratiever. De figuren in die schilderijen, die vaak met iets seksueels bezig zijn, bestaan beslist niet alleen in het oog of het hoofd van de kijker. De tentoonstelling in Den Haag opent met een paar schilderijen die ook niet puur abstract zijn, maar geabstraheerd figuratief. Door dat andere werk ben je geconditioneerd om ook in de abstracte schilderijen naar figuratie te zoeken.

De abstracte werken zijn bonte warrelingen van kleur, doeken vol wilde vegen verf, maar die vegen zijn wel met beleid geplaatst. Opvallend is dat de preciezere vormen – de dicht opeen geschilderde, kleine penseelstreken – vaak in de bovenste helft van het beeld geconcentreerd zijn. De grotere, grovere vormen bevinden zich meer onderin de compositie. Daardoor lees je zo’n schilderij als iets ruimtelijks, als iets dat van een voorgrond naar een verte verloopt. Als een landschap van verf.

Het grote, grauwe schilderij Thriller (2010) doet aan een slagveld denken. De strijd is gestreden, er is een chaos van lichamen of lichaamsdelen achtergebleven. Rode vegen kun je haast niet anders lezen dan als bloed, al weet je niet van wie of wat. In Bandit (2010) gaat het er gezelliger aan toe. Lange slierten verf in vrolijke kleuren staan rechtop en bewegen soepel. Het lijkt een groep dansers in een polonaise of een kring. Op de achtergrond lijkt nog iets te gebeuren, daar is rumoer. In een figuratiever schilderij zou op die plek een gouden kalf staan of een kampvuur branden. Hier is het alleen het centrum waar de dans om draait – en zelfs dat is niet zeker. ‘Het gaat over kijken, en over wat het oplevert als je de beelden toestaat te verschuiven en te veranderen’, wordt Cecily Brown geciteerd in de catalogus. Het is precies de bedoeling dat je niet weet wat precies de bedoeling is.

Gijsbert van der Wal