De salesianen wilden geen ophef, de zaak was te brisant

De latere bisschop van Den Bosch vergreep zich met zes andere priesters aan een jongen. Het slachtoffer kreeg wel geld, maar echt gehoor vond hij niet.

In april van dit jaar hielden slachtoffers van seksueel misbruik in de Katholieke Kerk in Nederland een bijeenkomst om over hun ervaringen te praten. Foto Joyce van Belkom Nederland, Utrecht, 05-04-2010 Slachtoffers van seksueel misbruik in de Katholieke kerk hielden in de Geertekerk in Utrecht een bijeenkomst om over hun revaringen te praten. LET OP PERSONEN MOETEN ONHERKENBAAR BLIJVEN! Foto: Joyce van Belkom Joyce van Belkom

„Diepgaand en openhartig” waren de gesprekken die pater Herman Spronck, overste van de salesianen van Don Bosco, in november 2003 had met een slachtoffer van seksueel misbruik. De gesprekken worden vermeld in een „vaststellingsovereenkomst”. Daarin staat ook dat het slachtoffer 16.000 euro kreeg en dat hij afzag van een „formele rechtsgang”.

De salesianen, een katholieke congregatie die zich toelegt op de zorg voor jongeren, wilden geen ophef. Daarvoor was de affaire te brisant. Zeven priesters hadden een halve eeuw eerder het slachtoffer misbruikt op een jongensinternaat in Ugchelen, bij Apeldoorn. Een van de priesters was de in april 2003 overleden oud-bisschop van Den Bosch, Jan ter Schure.

Zijn leven lang had het slachtoffer gezwegen. Verdringing, walging en schaamte weerhielden hem ervan het zelfs tegen zijn vrouw te vertellen. Daar had hij spijt van, nadat zij in 2002 was gestorven. Zijn bekentenis zou veel verklaard hebben over zijn gedrag in het gezin, zegt het nu 76-jarige slachtoffer wiens identiteit door de krant beschermd wordt.

Hij was een kind uit een eenvoudig milieu. Zijn streng gelovige ouders hadden hem naar het kleinseminarie in Ugchelen gestuurd. Hij was er van 1947 tot 1953, van zijn dertiende tot zijn negentiende. Alleen in de zomervakantie mocht hij naar huis.

In het tweede studiejaar begon het misbruik. Vaak maakten de priesters hem ’s nachts wakker op de slaapzaal en namen ze hem mee. ’s Morgens moest hij biechten bij zijn misbruikers. Vier jaar was hij slachtoffer van een groep salesianen, die uiteindelijk zeven mannen telde. Onder hen de toenmalige directeur van het internaat en ook een salesiaan, die slechts af en toe het internaat bezocht.

Die laatste was Jan ter Schure. Hij werd in 1961 landelijk overste van de salesianen en in 1985 bisschop. Ter Schure had in Ugchelen geen eigen kamer. De latere bisschop misbruikte het slachtoffer bij een boerderij en in het bos achter het internaat.

In 1953 stelde een hoge salesiaan orde op zaken, nadat geruchten het hoofdbestuur van de salesianen in Rome hadden bereikt. De directeur werd overgeplaatst. Het slachtoffer werd van school gestuurd, mocht zijn gymnasiumopleiding niet afmaken. „Ik weet het nog goed. Het was 1 februari, de dag van de watersnoodramp. Voor mij was het een dubbele ramp. Met wat geld voor een treinkaartje stond ik buiten. De schande voor mijn ouders was groot.” Het zou zijn verdere leven beheersen.

Een halve eeuw later, nadat zijn vrouw was overleden, vertelde het slachtoffer zijn grote geheim aan pater Spronck. De vaststellingsovereenkomst uit november 2003 vermeldt dat Spronck de verklaring van het slachtoffer „waarheidsgetrouw en integer” vond. Het was ook „aannemelijk” dat het slachtoffer psychische schade had geleden en nog leed. De salesianen betaalden 16.000 euro. Het was een „volledige en definitieve vergoeding van alle geleden en eventueel nog te lijden materiële schade als gevolg van de hier bedoelde incidenten in de periode 1947-1953”.

Het woord ‘incidenten’, daar had het slachtoffer achteraf moeite mee, vertelt hij. Jarenlang gebeurde het op de slaapzaal, de refter, de ziekenzaal, in de kamers van de priesters en elders. „Het gebeurde zo vaak en openlijk dat het structureel was”, zegt het slachtoffer.

Vijf jaar later, januari 2008, schreef het slachtoffer een brief aan bisschop Ad van Luyn van Rotterdam. Hij was een oud-klasgenoot van het slachtoffer uit Ugchelen en een prominent salesiaan. „Ik wilde met hem het misbruik bespreken. Hij was net voorzitter van de bisschoppenconferentie geworden. Hij moest als boegbeeld van de kerk het misbruik erkennen.”

In zijn brief vroeg hij Van Luyn hulp bij het publiek maken van de misstanden. Er moet „een historisch zuiver en objectief beeld van de salesiaanse aanwezigheid in Nederland” komen. „De misstanden die ook toentertijd geheerst hebben, kunnen niet langer onbesproken blijven. Het gratuite argument dat dit al zo lang geleden is, klinkt des te leger naarmate psychische spanningen toenemen”, staat in de brief.

Hij kreeg geen antwoord. Drie maanden later stuurde het slachtoffer een nieuwe brief: „Helaas heb ik op mijn verzoek aan jou geen reactie gekregen. Daaruit kan ik slechts concluderen dat je niet bereid bent vanuit jouw functie de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de misstanden uit het verleden van het instituut Rooms-Katholieke Kerk te accepteren.”

Niet Van Luyn maar een medewerker van het bisdom stuurde 17 juli 2008, zes maanden na de eerste brief, een antwoord: „De bisschop heeft goede nota genomen van wat u hem schrijft, maar hij herkent zich niet in het verloop der dingen of in het door u geschetste feitenkader van wat u naar uw zeggen is aangedaan.”

Om zijn recht te halen stapte het slachtoffer in maart 2009 naar Hulp en Recht, het kerkelijk klachtenbureau voor seksueel misbruik. Dat was één jaar voordat de publiciteitsgolf over kerkelijk misbruik Nederland raakte.

Het slachtoffer klaagde de zeven, inmiddels overleden, priesters aan en kreeg gelijk van de Beoordelings- en Adviescommissie (BAC) van Hulp en Recht. Die oordeelde op 12 maart 2010 dat het „aannemelijk” is dat het slachtoffer „herhaaldelijk is misbruikt” door de zeven priesters. De BAC „is hiervan overtuigd geraakt, niet alleen door de wijze waarop én de details waarmee klager zijn verhaal heeft verteld, maar ook doordat inzichtelijk is geworden dat klager zijn hele leven gebukt is gegaan onder een groot geheim met alle gevolgen van dien voor zijn verdere leven. (...) Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat er geen enkele aanwijzing is dat dit wegsturen van het kleinseminarie een aan klager toe te rekenen oorzaak heeft. Het ontbreken van adequate bescherming en hulp van een aan de zorgen toevertrouwde minderjarige valt de toenmalige salesianen te verwijten.”

Het slachtoffer heeft zijn dossier onlangs overhandigd aan de commissie-Deetman. Die onderzoekt namens de Kerk het seksueel misbruik. Deetman komt op 9 december met een tussenadvies over de hulp voor de slachtoffers.

Via een woordvoerder laat bisschop Van Luyn weten dat hij het slachtoffer in 2008 heeft doorverwezen naar de salesianen omdat hij op dit onderwerp geen „bestuurlijke bevoegdheden” had. Ook zou hij de salesianen gevraagd hebben contact op te nemen met het slachtoffer. „Als diocesaan bisschop kan monseigneur Van Luyn verder helaas geen rol spelen in zaken die ordes of congregaties betreffen.”

De salesianen weigeren commentaar.

Reacties: misbruik@nrc.nl