'Bezuinigen is ontoelaatbaar'

Het nieuwe kabinet bezuinigt stevig op innovatie. Dat treft ook onderzoeksinstituut TNO. „Ik weiger te somberen en zie een nieuw elan.”

Delft, 24-11-2010. Ir. J.H.J. (Jan) Mengelers, Voorzitter Raad van Bestuur TNO. Foto Leo van Velzen NrcHb.

Nederland verliest terrein op het gebied van de kennisindustrie. Bestaande ondernemingen innoveren te weinig en er komen te weinig innovatieve bedrijven bij. Maar Jan Mengelers, voorzitter van TNO, is niet pessimistisch. De topman van het Delftse onderzoeksinstituut is „verwachtingsvol”. Hij bespeurt een nieuw elan. „De verloren positie moet weer worden ingehaald”, zegt Mengelers.

Al bijna tachtig jaar ondersteunt TNO de overheid en het bedrijfsleven met wetenschappelijke kennis en innovaties. TNO heeft op dit moment een omzet van 600 miljoen euro, waarvan een derde gerelateerd is aan de overheid.

Mengelers werkt sinds 2001 bij TNO, na een carrière in het bedrijfsleven. De afgelopen dagen volgde hij intensief de behandeling van de begroting van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I).

Zijn verwachtingen van het nieuwe ministerie zijn hoog gespannen. EZ verdween de afgelopen decennia uit het centrum van de macht. EZ en Landbouw zijn nu samengevoegd, het innovatiebeleid wordt onder EL&I gebundeld. Het departement krijgt de regie op het gebied van onderzoek. TNO viel altijd onder het ministerie van Onderwijs, nu onder EL&I.

Twee van de vier andere grote technologische instituten, ECN en Marin, vielen al onder Economische Zaken. „De bundeling van onderzoek en de toepassing vergroot de slagkracht’’, zegt Mengelers. En innovatie is nu „verankerd’’ in een heus departement. Een ministerie dat wordt geleid door Maxime Verhagen (CDA) – volgens Mengelers een politiek zwaargewicht en vice-premier. „Daarmee geeft het kabinet een duidelijk signaal af’’, vindt de TNO-voorzitter.

Tijdens de behandeling van zijn begroting zei Verhagen dat het ministerie geen „veelpotige subsidiefabriek’’ wil zijn. Het kabinet gaat 600 miljoen euro bezuinigen op subsidies. Daarnaast verdwijnt 300 miljoen euro aan aardgasbaten voor innovatie. Water, voedsel, tuinbouw, hightech, life sciences, chemie, energie, logistiek en creatieve industrie zijn de gebieden waar het kabinet-Rutte de innovatie wil stimuleren. De kabinetsplannen sluiten volgens Mengelers goed aan bij de plannen van TNO waarin voor de periode 2011-2014 een voorstel wordt gedaan voor twintig innovatiegebieden.

Uw optimisme steekt schril af bij de brandbrief die de technologische topinstituten deze week naar de Tweede Kamer stuurden. Veertig procent van de 2.800 banen staat op het spel nu de overheid snoeit in de subsidies voor innovatie.

„Ik weiger te somberen. Ik signaleer een nieuw elan, maar constateer ook dat dit kabinet bezuinigt op de directe technologiesubsidies. Ik denk dat we nog meer gebruik moeten gaan maken van de hefboomfuncties. Met minder geld meer bereiken door slimme organisaties, samenwerken en intelligente uitvoering. Ik ben blij dat het kabinet kiest voor een aantal sectoren.”

Het Innovatieplatform, in 2003 opgericht om de innovatiekracht van Nederland te versterken, koos ook voor zogenoemd sleutelgebieden.

„Tachtig procent van het bedrijfsleven viel daaronder. Als je een keuze maakt voor de ene sector, kies je niet voor de andere sector. Maar in Nederland polderen we dit direct weer gelijk.

Zo kom je nooit tot echte keuzes. Denemarken en Duitsland hebben in het verleden een keuze gemaakt voor onder andere windenergie – dat zijn nu succesverhalen.”

Hoe beoordeelt u de resultaten van het, inmiddels opgeheven, Innovatieplatform.

„Het initiatief was goed, ze hebben innovatie weer op de agenda gezet. Maar ze hadden geen middelen om hun plannen uit te voeren. Ze hadden geen macht.”

Nederland wil tot de vijf beste kennissamenlevingen ter wereld behoren, vindt ook dit kabinet. Maar...

„Men heeft verzuimd om aan te geven hoe die ambitie gerealiseerd moet worden. De groei van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling ligt ten opzichte van het bbp al bijna tien jaar stil, terwijl de meeste andere Europese landen een groei laten zien.

Wil je als kennisland naar de top, dan moet je zo’n 3 procent van je bbp investeren in onderzoek en ontwikkeling. In Nederland komen we net boven het OESO-gemiddelde van 1,5 procent uit. Dat moet beter.”

Maar het kabinet maakt er geen extra geld voor vrij.

„Op dit moment niet, maar de discussie met het kabinet is nog niet afgerond. Wij hebben goede argumenten. Door de economische crisis en de opkomst van nieuwe kenniseconomieën als China, India en Brazilië is de problematiek urgenter geworden. Als je een wit stuk papier zou hebben om de wereldindustrie te plannen, dan zouden de technologische instituten niet in Europa komen. Europa moet daar een antwoord op vinden. Europa heeft een goed netwerk en onderscheidende kenniscentra, die moeten we gebruiken.”

Werpen de nieuwe bezuinigingen hun schaduw vooruit?

„Er hangt mij nog steeds een bezuiniging van twintig procent boven het hoofd. Dat is dramatisch en ontoelaatbaar. Defensie stelt met ingang van 2010 minder middelen beschikbaar voor onderzoek en ontwikkeling. Het grootste deel van deze bezuiniging betreft programmafinanciering waarmee TNO voor Defensie relevante kennisbasis opbouwt en in stand houdt. Bijna tachtig mensen verliezen hun baan. Daardoor dreigt Nederland zijn toppositie op het gebied van van toxicologisch onderzoek – chemisch, bacteriologisch, radiologisch en nucleair te verliezen. Met de dreiging van toxicologische terreuraanslagen is dat ook belangrijke kennis voor de binnenlandse veiligheid. Wij moeten het gebruik van kennis verbreden, dat is een insteek om onze wereldspositie te behouden.”

Moet de Nederlandse overheid meer de regie nemen, of het juist aan de markt overlaten.

„In het buitenland grijpt de overheid eerder in en maakt duidelijke keuzes. Onze overheid kiest voor afstand. Dat heeft wel tot gevolg dat een uniek bedrijf als Organon in Oss uit Nederland dreigt te verdwijnen. Ik maak mij zorgen of zoiets nog een keer gaat gebeuren. Wanneer je kiest voor life sciences dan hoort daar ook concrete beleidsdaden bij.”