Bewakers zijn een veiligheidsrisico

Wat doe je als het wachthuisje van de beveiligers de buurt juist onveiliger maakt? Het bevordert in elk geval het contact met de buren.

Tegen de muur rond ons huis is een krot gebouwd. Opeens stond het er, midden op de stoep. Een hutje van hooguit anderhalve vierkante meter groot en drie meter hoog, opgetrokken uit oude kastdeuren, schroothout en met een stuk golfplaat als dak. Twee autobanden erbovenop. Verstandig, het kan flink waaien deze tijd van het jaar.

De buurman rijdt voor in zijn forse terreinwagen. „Ik vind het niks”, zegt hij. Zijn vrouw trekt een vies gezicht. Zij vindt het ook niks. „Hebben jullie hier om gevraagd?” Wij hebben nergens om gevraagd.

Het gezwel op onze steriele buitenmuur blijkt neergezet door het beveiligingsbedrijf van meneer Semane. De jongens met de fluorescerende hesjes die in ploegendienst door onze straat lopen om criminelen af te schrikken moeten kunnen schuilen als het regent. Het huisje, dat aanvankelijk een paar honderd meter verderop stond, is hun basisstation.

„Prima, die jongens”, zegt buurman door het open raampje van zijn terreinauto, „maar ik wil ze niet te dicht bij ons huis. Voor je het weet klimmen ze over de muur en lopen ze door je tuin. Bewakers zijn een veiligheidsrisico.”

Als het om veiligheid gaat, vertrouwt niemand iemand in Zuid-Afrika. Het welgestelde deel van de bevolking heeft zich teruggetrokken achter hoge muren en betaalt grif geld voor elektronische alarmsystemen en particuliere beveiligingsbedrijven. Ook wij hebben sensoren in de tuin. Begint het alarm te loeien, dan staat binnen vijf minuten een zwaarbewapende kleerkast in de tuin. De jongens van Semane moeten door hun aanwezigheid voorkomen dat iemand over de muur klimt.

Semane, die van een handvol buurtbewoners maandelijks een paarhonderd rand overgemaakt krijgt, heeft een voorkeur voor jonge Zimbabweanen, die genoegen nemen met een salaris van 120 euro per maand voor zes dagen werk per week. De jongens zijn ongetraind en ongewapend. Ze hebben slechts een telefoon om bij onraad de politie te kunnen bellen. Maar ik heb meneer Semane nooit durven vragen of hij ze ook van beltegoed voorziet.

Eind vorig jaar belegde Semane een vergadering om de buurt te bedanken voor „de aanhoudende steun”, zoals zijn zoon het in een aandoenlijke presentatie verwoordde. Semane zelf spreekt nauwelijks Engels. Een ex-soapacteur had zijn pianokamer voor de vergadering ter beschikking gesteld, maar slechts vijf buurtbewoners kwamen opdagen. De bijeenkomst gaf weinig vertrouwen. Maar als nieuwste bewoners van deze straat bleven wij meneer Semane trouw.

„Het krot moet weg”, verordonneert de buurman in de terreinwagen, en zoeft de straat uit. Ik ben het met hem eens. Het huisje blokkeert de stoep. Volgens de maandelijkse informatiebrief van de politie is het bovendien niet goed als vreemden precies kunnen bijhouden op welke tijden je van huis gaat en terugkomt. Ik beloof de buurman om de andere straatbewoners te consulteren.

„Ons uitzicht is bedorven”, zegt de man die tegenover ons woont. Nooit eerder had ik hem gesproken, maar veiligheidsvraagstukken breken door alle barrières. De buurvrouw aan de andere kant, een hoge ambtenaar bij Justitie, zegt zich door het bewakershuisje „voor het eerst onveilig te voelen”. Het is nu veel te makkelijk om over de muur te klimmen, voegt ze toe. Dat lijkt me een legitiem argument. Je kunt meneer Semane moeilijk vertellen dat je je onveilig voelt als zijn bewakers doen waarvoor wij ze hebben aangesteld.

Desgevraagd blijkt trouwens geen van de buren nog voor de buurtwachten te betalen. Ik ben de enige trouwe klant. „En daarom”, stamelt een verbouwereerde Semane als hij enkele dagen later op ons verzoek voor de deur staat, „hebben we u met een wachthuisje beloond. Voor extra veiligheid.” Hij belooft het krot te verplaatsen, want de klant is koning.

Overbuurman wil nog wel weten waarom Semane niet een iets ooglijker wachtershuisjes kan neerzetten. Hoe vaak moet Semane het nog uitleggen. „Alles wordt hier gestolen”, zegt hij. „Zetten we een mooie hut neer, dan is die met een week weer weg.”

    • Peter Vermaas