Belangenstrijd maakt van het hoofddoel een bijzaak

Op de jaarlijkse VN-klimaatconferentie, vanaf maandag in Cancún, liggen de tegenstellingen verder uiteen dan ooit. Het klimaat als luxeprobleem.

Als politici tegenwoordig over klimaat praten, wordt hun stem wat zachter, hun toon fluisterend. Vorig jaar rond deze tijd, aan de vooravond van de klimaattop in Kopenhagen, was dat wel anders. Toen werden woorden als klimaatverandering, opwarming en broeikaseffect nog van de daken geschreeuwd: we moeten de aarde redden, een ramp dreigt als we nu niet in actie komen. Geen wereldleider durfde Kopenhagen te negeren.

Maar ze werden het niet eens. Er werd op het laatste moment een ‘akkoord’ gesloten, maar dat was niet bindend en weinig concreet: landen mochten na afloop naar eigen goeddunken hun beloftes doorgeven aan de UNFCCC, de organisatie van de Verenigde Naties die optreedt als schatbewaarder van het klimaatbeleid.

Thuis probeerden politici na Kopenhagen uit te leggen dat het redden van de aarde voorlopig was uitgesteld. China en de Verenigde Staten, de twee grootste klimaatvervuilers, verweten elkaar gebrek aan goede wil. Ontwikkelingslanden waren boos op de rijke landen omdat die onvoldoende over de brug kwamen met geld – om hun tropische bossen te beschermen en om te helpen bij een schonere energieproductie en bij de noodzakelijke aanpassing aan de gevolgen van de opwarming. Geïndustrialiseerde landen vonden dat de arme landen hun zaakjes niet op orde hadden.

De wereld is nu bijna een jaar verder, maandag begint in het Mexicaanse Cancún weer een grote klimaatconferentie, maar nog steeds zijn de onderhandelaars bezig de scherven van Kopenhagen op te ruimen. ‘Werken aan het herstel van vertrouwen’ heet dat.

Dat is er in de tussentijd niet gemakkelijker op geworden. De rijke landen zijn door de economische crisis introverter en hebben weinig aandacht voor een ‘luxeprobleem’ als klimaatverandering. In de Verenigde Staten is de machtsverhouding na de Congresverkiezingen totaal veranderd. En de wetenschap die de basis vormt van het klimaatbeleid ligt onder vuur.

Vlak voor de conferentie in Kopenhagen werden door onbekende hackers ruim duizend persoonlijke e-mails van klimaatwetenschappers op internet gezet. Daaruit rees een weinig verheffend beeld op. Er bleek sprake van onderlinge kinnesinne, een kleine groep machtige wetenschappers leek alle kritiek op hun onderzoek onder het tapijt te vegen en het IPCC, het wetenschappelijk klimaatpanel van de VN, te gijzelen met een alarmistische visie.

Hoorzittingen en onderzoeken volgden. Daar werd geen bewijs gevonden van fraude of leugenachtigheid, de wetenschappers kregen eerherstel en het IPCC beloofde beterschap. Maar het wantrouwen in de wetenschap is wel gewekt. En dus ook de twijfel aan de vrij grote stelligheid waarmee het IPCC in 2007 heeft verklaard dat het zo goed als zeker is dat de mens verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde.

Die twijfel biedt politici een kans om de noodzaak voor een krachtig (en duur) klimaatbeleid te relativeren. Dat komt goed uit in tijden van economische crisis. Het is dan ook vrijwel uitgesloten dat er snel een internationaal klimaatverdrag komt. De onderhandelaars in Cancún zullen tevreden zijn als ze op 10 december niet weer ruziënd uit elkaar gaan.

De standpunten liggen nog steeds ver uiteen. Vooral die van China en de Verenigde Staten. China houdt vol dat het met zijn economische achterstand geen grote verplichtingen op zich kan nemen. Dat zou ten koste gaan van de economische groei die nodig is om de armoede te bestrijden. De Chinezen doen op vrijwillige basis veel om de industriële productie schoner te maken, maar ze wijzen erop dat per hoofd van de bevolking de Chinese bijdrage aan het klimaatprobleem nog steeds bescheiden is.

De Amerikanen nemen daar geen genoegen mee. China is nu wereldwijd de grootste producent van broeikasgassen. Als het land niet een gelijkwaardig deel van de lasten op zich neemt, vertroebelt dat de economische verhoudingen (doordat bedrijven geneigd zullen zijn hun productie naar China te verplaatsen). Dan kan het klimaatprobleem niet worden opgelost, zeggen de Amerikanen.

Europa, dat jarenlang een voortrekkersrol had, aarzelt. De Europeanen kozen in Kopenhagen uiteindelijk partij voor de Verenigde Staten, ze hadden hun hoop gevestigd op president Barack Obama, die een op wetenschap gebaseerd beleid voorstond. Maar nu het Amerikaanse Congres wordt gedomineerd door de Republikeinen, die niets voelen voor een verplichte reductie van broeikasgassen, lijkt Obama machteloos.

Door op te schuiven naar China, kan Europa ook het vertrouwen herwinnen van arme landen, die in de onderhandelingen samen optrekken met China. Zij worden, volgens alle onderzoeken, het zwaarst getroffen door klimaatverandering, zijn er het minst voor verantwoordelijk en hebben niet het geld om zich ertegen te beschermen.

Europa moet dan wel een oplossing verzinnen voor het Kyoto-protocol, het klimaatverdrag uit 1997 dat over twee jaar afloopt en aan verlenging toe is. Ontwikkelingslanden willen ‘Kyoto’ handhaven, want het is het enige wat ze hebben en het verdrag pakt voor hen profijtelijk uit. Europa en de andere rijke landen die eraan meedoen – Canada, Japan en Australië – willen er juist van af, omdat de VS het protocol nooit hebben geratificeerd en China wordt beschouwd als ontwikkelingsland en dus niets hoeft te doen.

In Cancún moeten de onderhandelaars al deze belangen afwegen en intussen de echte doelstelling – voorkomen dat de aarde meer dan twee graden Celsius opwarmt – in het oog houden. Dat de deelnemende landen deze doelstelling, waar hun handtekening onder staat, zelfs met hun meest vergaande beloftes niet waarmaken, is voorlopig een van de kleinere problemen.