Zesduizend dollar voor de arme hoofdpersoon

Makers van documentaires over armoede worstelen met het dilemma: afzijdig blijven of ingrijpen? Wat gebeurt er als je je mengt in het leven dat je filmt?

Coen van Zwol

„Stop met filmen! Ik word ziek van je camera. Je filmt me 24 uur per dag, als ik eet, als ik thee drink. Je noemt je mijn vriend, dat is een leugen. Wie heeft een buitenlandse vriend nodig? Mijn kinderen bedelen op straat. Je geeft niks om mij.”

Het is een gouden greep om My Barefoot Friend, in competitie op het IDFA, met deze tirade te laten beginnen. Sjalim, een 50-jarige risksjarenner uit Calcutta, schreeuwt naar de camera die hem nu al een jaar volgt. Regisseur is Lee Seong-gyou, een van de vele protesterende Zuid-Koreaanse studenten die zich „leeg voelde” na de val van de militaire dictatuur in eigen land in 1987 en de wereld introk op zoek naar een nieuw levensdoel.

Lee werd hulpverlener in Calcutta en leerde elf jaar geleden Sjalim kennen. Het idee voor My Barefoot Friend volgde op een wet om riksjarenners te verbieden. Armen die als trekdier rijken vervoeren zou mensonwaardig zijn, een koloniaal reliek. Maar ook de enige manier voor Sjamil om zijn gezin te onderhouden. Hij spaart al decennia roepies om een gemotoriseerde riskja te kopen. Daarmee kan hij zijn grote droom realiseren: een eigen huis.

Het loopt anders. Vrouw en zoon worden ziek, Sjalims plastic zak vol roepies gaat op aan dokters, zijn droom valt in duigen. En zo zien we Sjalim woedend schreeuwen tegen de filmmaker die hem zo eenvoudig uit de brand kan helpen, maar dat niet doet omdat hij zijn leed documenteert. Lee Seong-gyou komt in beeld, omhelst de schokschouderende Sjamil. „Het is bijna voorbij.”

Het maak expliciet wat in zoveel IDFA-documentaires impliciet blijft. Filmmakers uit rijke landen zwermen over de Derde Wereld uit om ons armoede te tonen. Liefst via waardige, hopeloos voort ploeterende helden. Zij filmen, wij kijken, maar waar wordt het poverty porn, genieten van armoede? En wat doe je met je ‘acteurs’? Het is onmenselijk ze niet te helpen. Maar zijn ze uit de problemen, dan is je documentaire oninteressant.

De Braziliaanse filmmaker José Padilha stelde het probleem vorig jaar op scherp in Garapa, waarin hij filmt hoe een familie langzaam inteert van de honger - om die familie daarna de rechten op zijn film te geven. Hij vindt dat een elegante oplossing: wie de film bezoekt, helpt de familie.

Ook op dit IDFA zie je filmmakers worstelen met het dilemma: afzijdig blijven of ingrijpen? Het volstaat niet langer je te verschuilen achter de vrome dooddoener dat je de „armoede een gezicht gaf”.

In de IDFA-publieksfavoriet Waste Land, waarbij alleen stenen harten het droog houden, volgen we een project van kunstenaar Vik Muniz. Hij ronselde de mensen die plastic, metaal en glas voor recycling verzamelen op Rio de Janeiro’s vuilnisbelt Jardim Gramacho voor een leuk projectje. Muniz fotografeerde vuilnisrapers, blaast hun foto’s op tot het formaat van een hangar en laat ze met vuilnis hun eigen portret invullen. Foto’s daarvan worden in Londen weer geveild voor 50.000 dollar per stuk.

Uiteraard ontdekken we, met Muniz, dat die vuilnisrapers vitale, droeve, fantastische mensen zijn. Maar halverwege is er debat. Voor onze komst waren ze tevreden op Gramacho, nu willen ze niet meer terug naar de vuilnisbelt. „We gooien hun levens overhoop.” Muniz: „Maar als iemand mij zou vragen: ik maak je portret, neem je mee naar Londen en dump je daarna weer op de vuilnisbelt, wat zou ik zeggen? Ja, graag!”

De eindbalans is gemengd: voor de één verandert het kunstproject niets, anderen beginnen een nieuw leven en de jonge, charismatische leider Tiao van de bond voor recyclewerkers wordt een mediaster die zelfs kansen als toekomstig Braziliaans president wordt toegedicht: begon ex-president Lula ook niet als schoenpoetser?

Terug naar My Barefoot Friend. Het viel regisseur Lee Seong-gyou, hard om Sjalim onder het filmen niet te helpen. „Het debat was steeds: mogen we ingrijpen in zijn leven terwijl we filmen? Maar hoe kan ik dat nou niet doen? Ik ben zijn vriend en een hulpverlener!” Lee wist zich in te houden, achteraf gaf hij Sjalim zesduizend dollar. „Hij kocht daarvan geen motorriksja, maar bouwde een eigen huis. Want dat was zijn droom. Sjalim trekt nog steeds riksja’s in Calcutta.”

Als Koreanen hebben Lee en Kim dezelfde problemen als westerse documentairemakers met armoede: wel of niet helpen, en zo ja, wanneer? Wel denkt Kim als Aziaat uit een land dat recent nog arm was een voordeel te hebben. „Wij neigen niet tot feelgood-romantiek over armoede zoals westerlingen in India. Die zijn snel onder de indruk van de mystiek, de kleuren, de folklore: their poor are so pure! Aziaten zijn pragmatischer. Wij zeggen: wees niet bang een arme man uit te buiten door een koloniaal ritje in een riskja te maken. Want zo help je hem echt. Door zijn werk te belonen, niet door hem een bedelaarsfooi te geven.”

En zo hielpen Kim en Lee hun acteur, riksjatrekker Sjamil. Hij leed een jaar voor hun camera. Werd boos. Maar heeft hij een huis. Hard werk werd beloond.