Zeg Nederlanders, zo slecht gaat het heus niet bij u

Economisch gezien gaat het Nederland beter dan België, maar het kabinet-Rutte laat nog een gouden kans op verbetering liggen, betoogt Andreas Tirez.

Als Belgisch econoom verbaas ik me telkens als ik Nederlanders hoor klagen over hun politici. Jawel, Nederland is nog steeds het gidsland voor België, of zou dat toch moeten zijn. Een overheidstekort van nauwelijks 60 procent (België bijna 100), een werkloosheid van 5.3 procent (België over de 10) en een BBP per capita dat behoort tot een van de hoogste van de wereld.

Zelfs de pensioencrisis is vanuit Belgisch oogpunt niet zorgwekkend: in België liggen de wettelijke pensioenen al jaren veel lager. Nederland wordt grotendeels bestuurd door ambtenaren, waardoor het meer technocratisch wordt beheerd. Politici gruwen ervan, maar het komt de burger uiteindelijk ten goede, omdat beleid meer is gericht op lange termijn.

Economisch gaat het Nederland dus relatief gezien voor de wind. Toch werden de regerende partijen hiervoor niet beloond tijdens de verkiezingen in juni. De reden lijkt het ongenoegen te zijn over de mislukking van de multiculturele maatschappij. Het mag niet verbazen dat de grootste sectie uit het regeerakkoord over immigratie gaat.

Dat is op zich een verdedigbare politieke keuze, maar gezien de economisch gunstige situatie is deze niet compleet. Wat doe je met immigranten die er nu al zijn, en die vaak generatie op generatie onder de armoedegrens blijven steken? Het hele regeerakkoord zegt er weinig of niets over en gaat daarmee voorbij aan nieuwe wetenschappelijke inzichten om mensen uit de onderklasse – vaak immigranten – te emanciperen.

James Heckman, Nobelprijswinnaar economie, is de bekendste onderzoeker in deze materie, en ik durf er gif op in te nemen dat bijna niemand in Nederland (en België) deze onderzoeker kent. Deze, enigszins conservatieve, econoom heeft aangetoond dat het mogelijk is om jonge kinderen uit kansarme gezinnen de juiste vaardigheden aan te brengen, mits ze de nodige ondersteuning krijgen. Uit zijn onderzoek, op basis van het volgen van kinderen gedurende meer dan twintig jaar, blijkt dat gezinsondersteuning vooral niet-cognitieve vaardigheden, zoals motivatie en zelfbeheersing, verbetert, waardoor er een positieve, zelfversterkende spiraal ontstaat.

Een belangrijke randvoorwaarde voor het slagen van gezinsondersteuning is vrijwilligheid. Als ouders gedwongen worden, gaan ze tegenwerken. Een tweede randvoorwaarde is de leeftijd van de kinderen: die moet zo laag mogelijk zijn. Uit het onderzoek blijkt dat het kwaad al geschied is als kinderen zes à zeven jaar oud zijn. Gezinsondersteuning begint bij voorkeur bij een paar maanden.

Het beste moet nog komen. Veel hedendaagse projecten in de sociale sector hebben een negatieve maatschappelijke opbrengst: ze kosten de maatschappij meer dan ze opbrengen. Dergelijke projecten kunnen dus louter op grond van argumenten over rechtvaardigheid worden verantwoord (wat op zich valabel is). Het ondersteunen van kansarme gezinnen met jonge kinderen is echter niet alleen rechtvaardig, maar heeft ook nog eens een positieve maatschappelijke opbrengst. De ondersteunde kinderen halen immers betere studieresultaten, verdienen later hogere salarissen en komen veel minder in aanraking met criminaliteit.

Het is ironisch te moeten vaststellen dat dit ‘bezuinigingskabinet’, waarbij kosten en baten de boventoon voeren, volledig blind blijft voor deze aanpak, die de maatschappij geld zou opleveren. Sterker nog, de beschreven vorm van gezinsondersteuning zou ook nog eens de multiculturele problematiek kunnen oplossen, of op zijn minst verminderen.

Dit vergt natuurlijk een aanpak op lange termijn, en hoewel de Nederlandse ambtenarij wel op lange termijn denkt, lijken Nederlandse politici daarin te zeer op de Belgische: de blik reikt niet verder dan de volgende verkiezingsdatum.

Andreas Tirez is econoom en voorzitter van het Vlaamse Liberales, een onafhankelijke denktank binnen de liberale beweging.