Verjaring is functioneel

Verzoening of vergelding: tot hoe lang na zijn daad mag, kan of moet een dader nog vervolgd en gestraft worden? Achter deze juridische vraag schuilt een moreel vraagstuk. Gisteren tekende zich in de Tweede Kamer een meerderheid af om de historische verantwoordelijkheid van het strafrecht verder uit te breiden. Bijna wekelijks worden ‘strengere’ repressieve maatregelen bepleit tegen toekomstige inbreuken op de rechtsorde. Nu dus ook voor wat decennia geleden is gebeurd en nooit is opgelost.

De voorgestelde afschaffing van verjaring van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven past in een trend om het slachtoffer van misdaad beter te beschermen. Dat is een sympathiek idee. Maar is uitbreiding van het strafrecht dan het aangewezen middel? Afschaffing van verjaring schept immers verwachtingen bij de burger en creëert nieuwe verplichtingen voor de Staat.

Dát misdrijven door het tijdsverloop verdampen, werd al erkend in het Romeins recht. Daar bestond een termijn van twintig jaar. Wie overspel pleegde, kon volgens de Lex Iulia de Adulteriis na vijf jaar al de vrees voor verbanning naar een eiland laten varen. In het moderne strafrecht is verjaring uitgesloten voor genocide, foltering, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. In 2005 werden misdrijven waarop levenslang staat, toegevoegd. De politiek zette die stap omdat DNA-bewijs na jaren betrouwbaar en doorslaggevend kon zijn. Nu wil de Kamer die grens verlagen naar misdrijven waarop twaalf jaar staat.

Het strafrecht heeft als doel vergelding, herstel van de rechtsorde, preventie en genoegdoening. Alleen vergelding is na afschaffing van de verjaring nog binnen bereik. Preventie, bescherming van de samenleving of herstel van de rechtsorde zijn achterhaald. Het gevaar voor herhaling of voor navolging is decennia later meestal ook irrelevant. Bij vergelding zal de rechter bovendien altijd rekening houden met het tijdsverloop.

Hoe redelijk of billijk is het nog om na zoveel jaren een verwijt nog te vertalen in een echte straf? Ook bewijsvoering is decennia later een ernstig probleem, zoals gedemonstreerd in de processen tegen kampbewakers als Demjanjuk. Geheugens vervagen, technisch bewijs wordt onbetrouwbaar, getuigen worden onvindbaar – de verdediging kan op een nachtmerrie uitdraaien en het strafproces op een farce. Veel slachtoffers willen bovendien niet zozeer vergelding als wel erkenning. Wie compensatie wil bieden, zou dat ook via het civiele recht kunnen regelen. Voor strafrechtelijke verjaring pleit dat het zekerheid biedt; de Staat is klaar, de zaak gesloten. Het heden en de toekomst zijn voor de overheid toch belangrijker. Burgerschap is geen blanco cheque.