Umami-ijs

Deze week zijn de Michelinsterren uitgedeeld. Het toeval wil dat mijn vriend afgelopen weekend een verrassing voor me had (iets waar ik blij en ook enigszins bang van werd: een verrassing kan immers ook ‘Tadaaaaa! Een driedaagse workshop improvisatietheater in Aalst!’ behelzen). Maar we gingen naar Texel, om te overnachten in een hotel en te

Deze week zijn de Michelinsterren uitgedeeld. Het toeval wil dat mijn vriend afgelopen weekend een verrassing voor me had (iets waar ik blij en ook enigszins bang van werd: een verrassing kan immers ook ‘Tadaaaaa! Een driedaagse workshop improvisatietheater in Aalst!’ behelzen). Maar we gingen naar Texel, om te overnachten in een hotel en te eten in het bijbehorende restaurant. Een restaurant met een ster.

Zodra ik wist dat het restaurant een ster had, bekeek ik het met andere ogen. Dit was geen gewoon restaurant, zo een waar verveelde puberkoks een waterige kipfilet in de koekepan gooiden. Dit was een magische plek, waar met mysterieuze chemische processen en krankzinnig onsympathieke meester-chefs eten werd bereid dat ik nog nooit in mijn leven geproefd had. Zoals geglaceerde bietendrups met umami-ijs. Ofzo. Iets met umami. Op een bedje van iets. Met snippers. Van panda.

Ik had nooit eerder in een sterrenrestaurant gegeten. Ik behandel het fenomeen ‘eten’ met minder liefde dan eigenlijk gepast zou zijn en ga meestal naar eetcafés, waar ik verbolgen kan mompelen: „Nou nou, 15 euro voor een stukje broccoliquiche, dat kan ik zelf ook nog wel”, terwijl dat niet eens echt waar is (ingrediënten haten mij). Mijn vriend had ook nog nooit in een restaurant met ster gegeten. „Het lijkt me zoiets wat je ooit een keer moet doen”, zei hij. Ik was het daar van harte mee eens.

Voor het diner maakten we een lange wandeling over het strand. De lucht was prachtig heiig, ik vond een verdwaalde schoen en een bijna gaaf wenteltrapje en het enige waar ik aan kon denken was: „Ik mag bijna eten! Ik mag bijna eten! Ik mag bijna eten!” O, hoe je je kunt verheugen op eten en wijn en daarna je bed inrollen.

Na de champagne begonnen we aan de zeven gangen. Nieuwsgierig vroeg ik me af of ik een gerecht zou krijgen uit de moleculaire kookschool, of ik misschien van een bepaalde smaak zou moeten huilen – iets waar ik nooit in heb geloofd, en of ik uit de keuken zou horen: „That Beef Wellington is fuckin’ raw! You idiot!” (Ik wou dat ik minder kostbare uren aan Gordon Ramsay had besteed.)

Niemand schreeuwde, iedereen was vriendelijk en na een aantal gangen en evenzoveel glazen wijn constateerde ik rozig dat er een vrij grote kans was dat ik de sommelier en chef zou gaan knuffelen. Er bleef maar eten komen: knoflookschuim en gemarineerde druifjes en witte truffel en groene asperges, en alles aten we in diepe stilte en concentratie, waarna we probeerden te beschrijven wat we hadden geproefd. Aan het eind van de avond waggelde ik naar bed en nam me voor om in het vervolg meer hartstocht aan eten te geven, en minder aan foute televisiekookprogramma’s.