Ik onderzoek, dus ik schrijf

Sociale wetenschappers drukken zich vaak zwak uit. Hun schrijven zou juist een laboratorium, een vorm van literatuur moeten zijn, zegt Richard Sennett.

Twee onderwerpen hebben in het verleden richting gegeven aan mijn onderzoek: werk en plaats. Ik wilde weten hoe mensen werken en hoe zij zich een thuis maken. Om dat uit te zoeken, gaf ik er de voorkeur aan om direct, persoonlijk, met werknemers en stadsbewoners te praten en als dat niet mogelijk was historische verhalen in de eerste persoon te gebruiken.

Ik ben geboren in het aparte milieu van communisten en ex-communisten die de vervolgingen van het mccarthyisme in de jaren vijftig in Amerika trachtten te overleven, maar ook verwikkeld waren in een moordende sektarische oorlog tegen elkaar. Die incestueuze twisten en zuiveringen binnen extreem-links hebben in mij een levenslange woede gewekt tegenover dogma’s. Ik ben bij toeval een intellectueel geworden, pas nadat handletsel een einde had gemaakt aan de carrière die ik me had voorgenomen als cellist.

Om na te denken over wat ik in de plaats van dogma en gestrengheid heb geplaatst, wil ik een vorm van cultuuranalyse beschrijven die gebaseerd is op de overtuiging dat de sociale wetenschap een vorm van literatuur kan en zou moeten zijn.

Van de tijd van Montaigne tot grofweg die van Tocqueville zou het als vanzelfsprekend hebben gegolden dat een onderzoeker van het sociale leven het schrijven als ambacht is toegedaan. De kracht van het schrijven van Las Casas, Montesquieu of Adam Smith droeg bij aan het scheppen van een publiek domein van gedeelde, collectieve kennis.

Tegenwoordig dreigen veel sociale wetenschappers te worden uitgesloten van het publieke domein, vanwege hun zwakke uitdrukkingsvaardigheid. Met ontzetting heb ik gemerkt dat sociale wetenschappers, ertoe neigen een overzicht te geven en de zaken te versimpelen. Mensen die deze fout begaan denken misschien dat zij alles al kunnen weten voordat ze gaan schrijven. Terwijl het schrijven zelf een laboratorium, een werkplaats voor het denken zou moeten zijn, niet een presentatie achteraf.

Daarom wil ik het over het ambacht van het sociale schrijven hebben. Ik wil in vier uitdagingen voorleggen waarmee ik in mijn schrijverswerkplaats werd geconfronteerd.

Stem

‘Stem’ benoemt degene die tot de lezer spreekt. In literatuur wordt de stem heel eenvoudig herkend, door het gebruik van ‘ik’ of ‘wij’. Zeg dat een schrijver op papier de ervaring tot leven wil brengen van een vrouw die voor een incompetente, mannelijke baas werkt. Om van deze situatie literatuur te maken, moet de schrijver meer doen dan alleen de genoemde omstandigheden opsommen. De schrijver zal moeten onderzoeken wat ‘incompetentie’ voor de lankmoedige medewerkster betekent. Dat wil zeggen: hij moet haar een stem geven.

Verhaal

Bij George Eliot of Thomas Mann is elke gebeurtenis, elke handeling een voorbereiding voor wat erna komt. Levensverhalen en collectieve verhalen bezitten die literaire eigenschap niet en zijn vaak onsamenhangend, een puzzel van stukjes die niet passen.

De sociale schrijver wil zo’n wanorde geen verhaal opleggen. Dit bewijst de sociale werkelijkheid een slechte dienst. Mensen denken in verhalen om handelingen betekenis te geven. Zonder het verhaal als middel vermindert het sociale begrip drastisch.

Prikkeling

In het schrijven willen we een soort focus tot stand brengen door tegenspraak en dissonantie in te voeren om de lezer op veelzeggende details te richten. Zo schrijf ik bij mijn aantekeningen van interviews ook lichaamsgebaren of stembuigingen op als onderdeel van mijn gegevens, aangezien zij vaak een ironisch of distantiërend commentaar op de feitelijke woorden zelf zijn.

Een andere methode om de nieuwsgierigheid te prikkelen draait om impliciete kennis, de aannames die we voor vanzelfsprekend houden, gedragingen die we onbewust aan de dag leggen. De sociale schrijver zal met deze vanzelfsprekendheden werken, ze geleidelijk aan in het bewustzijn van de lezer laten bovenkomen door een proces waarin hij ‘wat iedereen weet’ stap voor stap verandert, opdat het steeds vreemder en prikkelender wordt.

Generalisering

Het zou volkomen juist zijn om te zeggen dat ervaringen van individuen er geen aanspraak op kunnen maken algemene sociale condities te vertegenwoordigen. Grote fictie wil echter juist die fout begaan. De romans van Balzac en Proust nodigen de lezer uit van de misdrijven van Vautrin een metafoor van politieke corruptie te maken, of in het gedrag van Baron de Charlus het verval van een hele aristocratische klasse te lezen. De Amerikaanse pragmatist C.S. Peirce geeft daarvoor een verklaring: alle soorten categorieën zijn mentale constructies.

In mijn sociologische werk probeer ik zo’n veertig of vijftig mensen te interviewen die iets gemeen hebben. In het schrijven over hun verschillende interpretaties probeer ik op papier zoiets als een muzikale groepsuitvoering te ensceneren, waarin persoonlijke opvattingen of ervaringen meer betekenen wanneer ze samen met andere worden gespeeld. Hopelijk neemt de lezer later deel aan de uitvoering. Als het schrijven werkt – en dit wil ik benadrukken – leidt het niet tot generalisering.

Ik heb aan de hand van een aantal technieken geprobeerd te laten zien dat het schrijven van sociale literatuur een ambacht is. De sociale schrijvers die ik met name bewonder – Walter Benjamin, Roland Barthes, Michel Foucault en Michel de Certeau – schrijven allemaal anders, maar delen een wezenlijk ethos van vakmanschap. Allen ontwikkelden voor hun proza een reeks technieken, maar deze evolueerden in het verloop van hun carrière. Zo konden zij ontdekkingen doen, in plaats van slechts hun vaardigheid demonstreren. Al het vakmanschap zou die ambitie moeten hebben.

Richard Sennett is een Amerikaanse socioloog. Dit is de ingekorte versie van de rede die hij gisteren in Den Haag uitsprak bij aanvaarding van de Spinozalens, een onderscheiding voor denkers over ethiek.