Het no-nonsense imago van Ivo

Minister van Veiligheid Opstelten (VVD) verdedigt deze week de begroting van zijn ministerie in de Kamer.

Hij is een man van gezag en veel persberichten.

Ivo Willem OPSTELTEN (1944) Nederlands politicus. Voorzitter van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) en voorzitter van de Council Olympisch Plan 2028. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Den Haag, 25 september 2009

Wat voor man Ivo Opstelten is? De minister van Veiligheid en Justitie (VVD) vertelt het graag zelf, tijdens debatten in de Tweede Kamer.

„Ik ben een bruggenbouwer. Ik ben ook iemand die op een gegeven moment zegt: laten wij nu een aantal dingen doen.”

„Wie mij kent, weet dat het een beetje tegen mijn karakter is om te zeggen: laten we de tijd nemen.”

„Ik hou niet van termen als ‘wij zullen ernaar streven om daar te eindigen’. Nee, wij gáán daar eindigen.”

De 66-jarige Opstelten, nu bijna zes weken minister, profileert zich graag als een daadkrachtig bestuurder en een „minister die niet schrijft”. Hij wil gewoon „dingen doen en laten zien”. Opstelten hecht aan het no-nonsense-imago dat hij als burgemeester van Rotterdam (1999 tot en met 2008) verwierf. Daar stond hij symbool voor het harde veiligheidsbeleid dat de stad na de moord op Pim Fortuyn introduceerde. Zero tolerance. Dat beeld wil Opstelten als minister van Veiligheid en Justitie graag in stand houden.

Hier lijkt hij in te slagen, al heeft hij pas drie Kamerdebatten achter de rug. Mede dankzij zijn postuur en zijn zware, plechtstatige bromstem heeft hij een natuurlijk soort gezag en komt zijn optreden automatisch krachtig over. „Hij heeft een beetje een houding van: het volk hoeft zich geen zorgen te maken, de heer Opstelten is hier en gaat het allemaal voor u regelen”, zegt PvdA-Kamerlid Attje Kuiken.

In de Kamer toont Opstelten zich een charmeur, die Kamerleden weet in te pakken. „Hij kiest de juiste woorden, geeft soms wat toe, haalt dan weer wat binnen”, zegt Gerard Schouw van D66. „En in zijn beantwoording geeft hij Kamerleden complimentjes over hun inbreng. Een bekende truc, maar het werkt altijd.”

Kamerleden juichen het enthousiasme en de retoriek van Opstelten toe, maar wijzen ook op de risico’s van zijn houding. „Opstelten belooft veel”, zegt Ronald van Raak (SP), „maar hij moet eerst maar eens presteren. Problemen los je niet op door persberichten rond te sturen. Ik zou zeggen: geen woorden, maar daden.”

De eerste weken van Opsteltens ministerschap staan inderdaad vooral in het teken van persberichten. Dagelijks laat hij zijn pr-afdeling nieuws verspreiden: Opstelten schaft bonnenquota bij politie af; Opstelten pakt voetbalhooligans hard aan; Opstelten voert een straatverbod in voor overlastgevers; Opstelten zet een streep door taakstraffen bij ernstige zeden- en geweldsdelicten; Opstelten wil de strafeisen bij geweld tegen politie, brandweer en ambulancemedewerkers verhogen; Opstelten pakt gedwongen huwelijken harder aan. En als laatste kan voorlopig worden toegevoegd: Opstelten wil overvalcriminaliteit harder aanpakken.

Allemaal punten van het prioriteitenlijstje dat minister Opstelten bij zijn aantreden heeft opgesteld, op verzoek van Rutte. „Het lijkt alsof hij iedere dag iets afvinkt”, zegt een medewerker van het ministerie.

Het maakt een ongeduldige indruk. Een burgemeester gaat over de veiligheid in zijn gemeente, maar zijn macht is zeer beperkt. Als minister kan hij wél zijn stempel op het veiligheidsbeleid drukken. Het kan een verklaring zijn voor zijn gretigheid. Ambtenaren op het ministerie moeten onder Opstelten harder werken, want het moet allemaal wel gedaan worden. Maar, zo zegt een ambtenaar: „Je wordt echt meegezogen in zijn enthousiasme en schwung.”

Opstelten was ooit de jongste burgemeester van Nederland. Als 28-jarige ging hij aan de slag in het Drentse Dalen. Jarenlang is hij, in verschillende gemeenten, burgemeester geweest. Toch is een ministerie hem niet helemaal vreemd. Tussen de burgemeestersposten door was hij, van 1987 tot 1992, directeur-generaal Openbaar Orde en Veiligheid bij Binnenlandse Zaken. Jaren geleden stapte zijn toenmalige secretaresse Ada al over naar het departement van Justitie, tegenwoordig Veiligheid en Justitie. Daar werkt zij nu opnieuw voor Opstelten.

Dat is verrassend, in ieder geval voor degenen die in 2008 Opsteltens flyer voor de door hem gewonnen verkiezing van het partijvoorzitterschap hebben gezien. Daarin somde de Rotterdamse burgemeester op waarom mensen op hém moesten stemmen. De laatste reden luidde: „Geen politieke ambities meer!” Ook in een interview in de gratis krant Metro zei Opstelten eind 2008 dat hij geen politieke functies meer ambieerde. „Als ze me vragen voor een ministerschap is mijn antwoord nee.” Zijn argumentatie: „Men moet aan nieuwe generaties denken.”

Twee jaar later is alles veranderd. Opstelten was als informateur nauw betrokken bij de totstandkoming van het kabinet. En hij besloot tóch een ministerspost te aanvaarden. Hij is met zijn 66 jaar de oudste minister sinds vijftig jaar.

Werd hij ooit nog de verpersoonlijking van het burgemeestersambt genoemd, nu is hij er in anderhalve maand in geslaagd zich als de belichaming van het kabinet-Rutte te profileren: één brok daadkracht. Voorlopig alleen nog in woorden.