Een dode mus

Kijk even naar dat vogeltje rechtsboven deze rubriek nu het nog kan. Vanaf morgen is hij niet meer. Hij vliegt eruit.

Hoe kwam hij er eigenlijk in? Om te voorkomen dat onze ombudsman zich ermee gaat bemoeien (dierenmishandeling door een columnist?), zal ik het zelf uitleggen.

Net als een aantal andere pagina’s zou de Achterpagina een ingrijpende opknapbeurt krijgen. Voor deze rubriek stelde de afdeling Vormgeving een treffende illustratie voor. Had ik zelf een idee? Omdat zo’n versiering algauw te nadrukkelijk wordt, stelde ik iets eenvoudigs voor: een pen met een notitieblokje of zoiets. Het werd van de hand gewezen als ‘te clichématig’ – wat het ook was, maar ik geloof in de kracht van sommige clichés.

Het moest vrijer, onorthodoxer, juist geen directe verwijzing naar wat ik deed. Een kikker, was dat niks? Ik zag die kikker en wist meteen heel zeker dat ik voortaan op straat elke dag minstens één grapjas zou tegenkomen die luidkeels tegen me begon te kwaken.

Dan nog liever een hyena, want wie weet hoe je een hyena moet nadoen? Een mus is sympathieker, zei de afdeling Vormgeving, en ze stuurden me zo’n beestje toe. Ik vond het meteen een aardig vogeltje, maar was het geschikt voor deze rubriek? Jazeker, zeiden ze bij Vormgeving, want in feite doet zo’n stadsmus hetzelfde als jij: nieuwsgierig in zijn omgeving rondscharrelen om te halen wat er te halen is.

Aardig gevonden, maar zou ook bij de lezer deze associatie worden opgeroepen? We zouden zien.

De eerste reactie van mijn eerste lezer, mijn vrouw, was niet direct bemoedigend: „Lief beestje, maar wat moet je ermee?” „Ik ben ook zo’n beestje”, zei ik. „Dat klopt”, zei ze met een glimlach die me niet helemaal beviel.

Toen kwamen de andere lezers. Sommigen namen me op bijeenkomsten nogal bezorgd apart. „Frits”, zeiden ze na enige inleidende plichtplegingen, „je moet me toch eens vertellen: wat doet die vogel opeens boven je rubriek?” „Het is een soort symboliek”, zei ik dan maar haastig. Ze knikten meewarig terwijl ik aan het uitleggen sloeg. Iemand vroeg: „Maar is het wel verstandig om een dier van een uitstervende soort te nemen? Jullie hebben het als krant toch al moeilijk genoeg?” Een ander riep verbaasd uit: „Een mus! Waarom geen sneeuwuil, buizerd of zeearend?”

Ik kan niet zeggen dat ik na zulke ontmoetingen tjilpend huiswaarts vloog. Wat mij nog nooit was overkomen: ik kreeg onbehaaglijke gevoelens zodra ik ergens zo’n mus zag hippelen. Rotmussen. Dat stond maar elke dag boven mijn rubriek te staren en waaraan hadden ze dat nou precies te danken?

De doorslag gaf een reactie van een echte ‘huismussenspecialist’, zoals hij zich noemde. Hij vond mijn getekende stadsmus (‘passer domesticus’) inderdaad een nieuwsgierig diertje, maar hij wees er wel met nadruk op dat het hier om een zeer eigenaardig exemplaar ging: het geslacht was onduidelijk, het was vrouw noch man, meer een soort ‘interseksmus’.

Dit was mijn eer te na. Als dit kennelijk onloochenbare feit zou uitlekken, kon er voortaan ook aan míjn geslacht getwijfeld worden. Frits was misschien wel Frida. Hád ik wel een geslacht?

Nerveus belde ik de afdeling Vormgeving. „Sorry”, zei ik, „de mus is dood, hij, of zij, of het, is van het dak gevallen.”

Nooit eerder was ik zó blij met een dooie mus.