De huisarts vindt het lastig om te zeggen: u bent te dik

Huisartsen hebben een belangrijke rol in de strijd tegen obesitas. Dat klinkt logisch, maar: „Een patiënt moet hier nog wel graag komen.”

Als hij een man met een dikke buik op zijn behandeltafel heeft liggen, durft de Amsterdamse huisarts Jeroen Baars best te zeggen: ‘Nou, daar kan wel wat van af.’ Tenminste: als de patiënt er de man naar is en de sfeer goed is.

Want tegen een 25-jarige dikke vrouw die in zijn spreekkamer ongelukkig uit haar ogen zit te kijken, zegt hij niet „plompverloren” dat ze te zwaar is. Hij vraagt haar ook niet of het waar is wat hij denkt: dat ze vreetbuien heeft. „Dan zou ik haar nooit meer terugzien.”

Uit een enquête in vakblad Huisarts en Wetenschap bleek vorige week dat patiënten van hun huisarts verwachten dat die het zegt als ze te dik zijn. Maar eerder onderzoek heeft laten zien dat artsen beschroomd zijn erover te beginnen. Ze geven alleen advies als het overgewicht tot klachten heeft geleid of als de patiënt er over begint.

Dat voldoet niet meer nu vetzucht een steeds groter probleem wordt. Al ruim de helft van de volwassenen in Nederland is te dik, 14 procent heeft zelfs obesitas. Dikke mensen hebben meer kans op hart- en vaatziekten, diabetes en gewichtsklachten.

Huisarts en Wetenschap noemt de huisarts cruciaal bij de preventie van overgewicht. Een huisarts ziet zijn patiënten als het goed is geregeld in hun leven. En onder hen zijn ook de mensen die niet op een andere manier informatie krijgen over gezond leven.

Maar niet alle huisartsen wijzen hun patiënten ongevraagd op de risico’s van overgewicht. Tijdgebrek is één van de redenen die ze daarvoor geven. Dat zegt ook huisarts Evelien Ensink, die samen met een collega ongeveer drieduizend patiënten heeft in haar Haarlemse praktijk. Hun patiënten zijn hoog- en laagopgeleid, expats en allochtonen. „Je hebt per patiënt beperkt tijd. Wanneer een dik iemand met een pijnlijk plekje op zijn arm komt, ga je niet zijn gewicht bespreken. Maar als iemand klaagt over overbelasting, of zegt niet lekker in zijn vel te zitten, dan benoem je het eerder.” Het punt is, zegt Ensink, mensen wéten wel dat ze te zwaar zijn. „Ik zeg dan: ik zie dat u overgewicht heeft.”

Huisarts Baars vindt het ook lastig om „zomaar” iets te zeggen over overgewicht als er geen gerelateerde klachten zijn. „Mensen moeten hier nog wel graag komen.” Hij vindt ook dat mensen mogen leven zoals ze willen. „Ook als ze zichzelf daarmee schade toebrengen.” 

Anders wordt het, als er kinderen bij betrokken zijn. De ouders van een mollig kind die zelf suikerziekte hebben wijst hij „zeker” op de mogelijke overdraagbaarheid. Ook als dat kind voor een ontstoken oog komt.

Ensink vindt het juist bij kinderen lastig om ze op hun gewicht aan te spreken. Zij worden er al zo vaak mee geconfronteerd, soms worden ze ermee gepest. „Moet de dokter het dan ook nog zeggen?” Laatst kwam een dik jongetje van acht met pijnlijke knieën op haar spreekuur. „Dan is dat een goed moment om ernaar te vragen.” Hij bleek al vanaf het consultatiebureau te horen dat hij te zwaar was. Hij zat op voetbal, juist om te bewegen. Door de knieklachten lukt dat niet meer. „Ik wil dan vooral weten: is er aandacht voor? Dat is zo. En dan maak ik daar een notitie van.”

Hoe reageren dikke volwassenen op de constatering dat ze te zwaar zijn? Volgens Baars zeggen ze bijna allemaal hetzelfde: ‘Ik eet helemaal niet veel. Ik kan echt niet nóg minder eten.’ Bij een huisbezoek komt soms de aap uit de mouw, zegt hij. „Dan zie ik lege flessen chocomel, vruchtensappen, frisdrank en chips.” Hij zegt dan niet ter plekke: vind je het gek dat je dik bent? In plaats daarvan stelt hij voor een eetdagboek bij te houden. „Dan kun je zeggen: dit moet minder, dat meer.”

Van Ensink hoeven niet al haar patiënten een abonnement op de sportschool te nemen. „Oudere mensen adviseer ik weleens een hondje. Dan gaan ze er toch drie keer per dag uit.” Preventieve geneeskunde is een „hot item” bij de nascholing van huisartsen, zegt Evelien Ensink. Baars leerde er hoe hij zijn patiënten ‘motiverend kan interviewen’. Bijvoorbeeld door te zeggen: ‘Heb je wel eens nagedacht over afvallen? Zou ik je daarbij kunnen helpen?’ En als je zeker wil zijn dat de boodschap aankomt, kun je vragen: ‘Wat vind je ervan dat ik zeg dat je te dik bent?’

Als hij zijn patiënten voorstelt meer te bewegen, zien dikke mensen vooral beren op de weg. ‘U heeft makkelijk praten dokter, maar mijn knieën zijn niet goed.’ Jeroen Baars denkt dan misschien: ‘Dan gaat u toch fietsen?’ Maar hij vraagt: ‘Wat vond u vroeger een leuke sport?’