België praat voorzichtig verder

In België wordt de komende dagen voorzichtig verder onderhandeld over een nieuwe regering, op basis van een compromisvoorstel voor een andere financiering van Wallonië en Vlaanderen.

In opdracht van de Belgische koning werkte senator Johan Vande Lanotte, van de Vlaamse sociaal-democraten S-PA, de afgelopen weken aan een plan dat de impasse in de formatieonderhandelingen moest doorbreken. Tot nu toe waren er zeven partijen bij betrokken, vier Vlaamse en drie Franstalige. Bemiddelaar Vande Lanotte probeert een middenweg te vinden tussen de harde Vlaamse eisen van meer eigen bevoegdheden voor de gewesten en het verzet daartegen bij de Franstaligen, die vrezen dat Wallonië en Brussel fors armer zullen worden als de federale overheid minder geld te verdelen heeft.

Eerdere pogingen om te komen tot een compromis hadden geleid tot conflicten over cijfers. Vande Lanotte liet daarom heel precies berekenen, met hulp van het Planbureau en de Nationale Bank, wat de financiële gevolgen waren van de ideeën die de partijen zelf hebben voor een andere zogenoemde ‘financieringswet’, die regelt hoe het geld van de overheid wordt verdeeld over de deelstaten.

De komende dagen zou Vande Lanotte per taalgroep overleg hebben: eerst met de Franstaligen, morgen met de Vlamingen, daarna weer met de Franstaligen: om en om, totdat het moment is gekomen om weer met alle partijen om de tafel te gaan zitten.

Of dat er echt van komt, is onzeker. In hun eerste, anonieme reacties leek er weinig reden tot optimisme. De Franstalige socialisten (PS) zouden de ideeën van Vande Lanotte al „te Vlaams” hebben genoemd en ook bij de Vlaams-nationalistische N-VA, grote winnaar van de verkiezingen in juni, klonk al kritiek. In debatten en interviews hebben politici het steeds vaker over de mogelijkheid van nieuwe verkiezingen, al is er tegelijk twijfel over de vraag of die een oplossing dichterbij brengen.

Wantrouwen is er vooral tussen de Vlaams-nationalistische N-VA en de Franstalige socialisten, die bij de afgelopen verkiezingen allebei zo groot werden dat er bijna niet zonder een van die partijen onderhandeld kan worden.