Afvalrace van de euro

Door de crisis is het steeds moeilijker om landen binnen de euro te houden.

Er zijn meerdere oplossingen denkbaar, maar misschien wordt het tijd om noodscenario’s uit te werken.

Ding flof bips, zo luidde het nogal bedenkelijke ezelsbruggetje dat het ministerie van Financiën ruim tien jaar geleden bedacht voor de burger om te onthouden welke landen deelnamen aan de euro.

Een flinke crisis en de gemeenschappelijke munt later dreigt de helft van zijn ‘ding’ (Ierland en Griekenland) te verliezen. En als de financiële markten bloed blijven ruiken, zou de euro ook nog eens het merendeel van zijn bips kunnen kwijtraken (Portugal, Spanje en misschien zelfs Italië).

Moet de euro straks dus klein geschapen en zonder billen door het leven? De dynamiek waarin de eurocrisis verzeild raakte, is groot, de uitkomst onvoorspelbaar. Maar regeren is vooruitzien, en nu zelfs de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble heeft gezegd dat de toekomst van de euro op het spel staat, staat speculeren vrij.

Je hoeft niet langer een profeet te zijn om te zien welke landen de grootste risico’s lopen. Daar zijn allerlei ingewikkelde methoden voor, maar de landen verschillen onderling sterk. Griekenland heeft, net als Portugal, een begrotingsprobleem, Spanje en Ierland lijden vooral onder een implosie op de huizenmarkt en een bankenprobleem. De drie mediterrane landen kampen met een verlies aan concurrentiekracht dat niet langer met een devaluatie van de munt ongedaan kon worden gemaakt, maar Ierland is bijna even concurrerend als Duitsland.

De afvalrace mag dan interessant zijn, maar áls het failliet van de euro inderdaad mocht plaatsvinden, dan is er grote kans dat er een soort van rompmunt overblijft. Vruchtbaarder dan te kijken welke landen sneuvelen, is te onderzoeken wie er overblijven. Welke staten kunnen zich zonder problemen bij Duitsland scharen, in het geval dat de gemeenschappelijke munt het loodje legt?

Die vraag wordt beantwoord op de financiële markten, waar beleggers handelen in de staatsleningen van de eurolanden. De koers van zo’n staatslening is omgekeerd evenredig met de effectieve rente die hij oplevert. Hoe verder de koers daalt, hoe hoger de rente wordt. Dat is logisch: als een belegger vreest dat hij zijn uitgeleende geld aan een staat niet helemaal terugkrijgt, dan zal hij er een lagere koers voor betalen. De staat in kwestie zal door die koersdaling bij de eerstvolgende keer dat zij een lening uitschrijft, een veel hogere rente moeten betalen.

Nu zegt de absolute hoogte van de rente op de staatsschuld op zichzelf vrij weinig. Het gaat om de rente die moet worden betaald in relatie met het allerbetrouwbaarste euroland, en dat is Duitsland. Dat verschil wordt de ‘spread’ genoemd. Hoe groter de spread, hoe riskanter het land op de financiële markten wordt ingeschat. Hoe kleiner de spread hoe betrouwbaarder. De kandidaten voor de romp-euro hebben de kleinste spreads met Duitsland.

Welke landen zijn dat? Nederland heeft de beste papieren, met een renteverschil met Duitsland van slechts 0,23 procentpunt, op de voet gevolgd door Finland met 0,24 procentpunt. Dat zijn verschillen die niet eens aan risico’s te wijten zijn, maar aan de wat minder goede verhandelbaarheid van Nederlandse en Finse staatsschuld in vergelijking met de Duitse.

Beide landen worden door de markten als vaste satellieten van Duitsland gezien. Dan komt Oostenrijk, met 0,41 procentpunt, waarvoor in wezen hetzelfde geldt. Frankrijk heeft een even grote spread van 0,41 procent, maar komt toch na Oostenrijk omdat de verhandelbaarheid van Franse staatsschuld vrijwel eender is aan die van Duitsland, en dus veel groter dan die van de Oostenrijkers.

Daarna wordt het al wat lastiger. België betaalt 0,89 procentpunt meer rente dan Duitsland, en dat verschil is bijna verdubbeld sinds juli. Italië betaalt nu 1,55 procentpunt meer dan Duitsland, en ook dat cijfer is verdubbeld, sinds april van dit jaar. Hierna volgen de bekende probleemgevallen: Spanje (2,09 procentpunt), Portugal (4,26), Ierland (5,69 procent) en Griekenland (9,26 procent).

Het is veilig om vast te stellen dat Finland, Oostenrijk en Nederland zich probleemloos bij een eventuele Duitse Alleingang kunnen aansluiten. De Franse politieke dynamiek is, zeker met het oog op de machtsverhouding met Duitsland, te onvoorspelbaar om te kunnen zeggen welke keuze dat land zal maken als het er op aankomt. België zou zich kunnen aansluiten, maar is zowel financieel als politiek op dit moment niet erg slagvaardig.

Nu zou de Duitser, Fin of Nederlander-in-de-straat na de miljardenleningen die aan Griekenland, Ierland en wellicht ook volgende landen worden verstrekt, kunnen concluderen dat het misschien maar beter is om deze landen uit de euro te gooien. In Duitsland wint dat gevoel zeker aan kracht. Ook in de landen die de leningen krijgen, en draconisch moeten bezuinigen, stijgt de weerzin tegen de munt. Maar wees voorzichtig met wat je wenst: het verlaten van de euro is een gebeurtenis die in geen enkel verdrag of procedure is voorzien. Het is zoals een Duitse parlementariër het onlangs samenvatte, toen hij sprak over het al dan niet lenen van miljarden euro’s aan Ierland: een keuze tussen de pest en de cholera.

De euro mag dan de pest zijn, maar wacht maar hoe de cholera eruitziet. Banken in de eurozone zitten via allerlei onzichtbare draden aan elkaar vast, en het verbreken daarvan kan enorme verliezen, chaos en paniek opleveren. Dat is nog afgezien van contractuele voorzieningen bij grensoverschrijdende financiële of materiële transacties (in welke munt betaal je terug, of krijg je je geld?), politieke schisma’s in de Europese Unie zelf en het risico op desintegratie, waarbij alles wat sinds 1957 gezamenlijk is opgebouwd op het spel staat. ‘Europa’ is niet alleen geharrewar in Brussel. Het is vooral dat je je stekker vrijwel overal in het zelfde type stopcontact kan steken, een baan in Milaan kan nemen en weet dat het in Lissabon gekochte speeltje veilig is voor je peuter.

De verlamming maakt volgens economen grote kans te resulteren in een draak van een recessie, en dat kunnen de economie en de financiële sector die net zijn hersteld van de kredietcrisis, helemaal niet aan. Hoe dan ook, de tijd wordt rijp dat het ministerie van Financiën en De Nederlandsche Bank een gedetailleerd plan uitwerken hoe Nederland moet reageren als de euro de crisis niet overleeft, en daartoe contacten aangaan met Duitsland en de andere zekere kandidaten voor een noordelijke gemeenschappelijke munt met Frankfurt als spil.

De chaos zal enorm zijn en de overgang complex. Een gemeenschappelijk noodscenario is zeker geen luxe. Misschien is het al in de maak, en zijn de contacten erover gaande. Het zou logisch zijn als daar geen ruchtbaarheid aan wordt gegeven, want het plan zou de Moeder Aller self fulfilling prophecies zijn als het uitlekt. Maar mogen we hopen dat er al een team mee aan de slag is.

Zonder bips, maar mét ballen.