Plato helpt in de liefde geen moer

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Deze week: De seksuele wending in de filosofie. Kan Plato ons helpen in bed?

Illustratie Ingrid van Halteren en Viola Lindner

Twee Franse filosofen, Aude Lancelin en Marie Lemonnier, beweren in hun boek Les Philosophes et l’amour. Aimer de Socrate a Simone de Beauvoir (2009) dat, als het om de liefde gaat, er meer diepgang in volksliedjes zit dan in de filosofie. Ze vinden daarvoor bewijzen bij niemand minder dan Arthur Schopenhauer. Die verbaasde zich in 1818 in Die Welt als Wille und Vorstelling er al over dat er zo weinig is geschreven door filosofen over datgene wat zo’n belangrijke rol in een mensenleven speelt. De liefde! Nu ja, Plato heeft er weleens iets over gezegd. Maar die behandelt het onderwerp vooral als een ‘kwestie van Griekse homoseksuelen’, aldus Lancelin en Lemonnier.

Inmiddels hoeven we ons geen zorgen te maken dat wat filosofen over de liefde schreven, hoe spaarzaam ook, onopgemerkt aan ons voorbij zal glijden. De afgelopen tijd nam de stapel wijze boeken over de liefde Olympische hoogten aan – en hij groeit maar door. Filosofen, liefde en lust; Liefde voor gevorderden; Kleine filosofie van het vrijen; Hoe te beminnen. Filosofen over seks; Dating. Philosophy for Everyone: Flirting with Big Ideas; Porn. Philosophy for Everyone: How to think with Kink. College Sex, Philosophers with Benefits. Het zijn maar een paar titels. Termen als liefde, lust, vrijen, seks, flirten en beminnen vloeien gemoedelijk in elkaar over – filosofen begrijpen onmiddellijk dat wie het over ‘liefde’ heeft, het in feite over het complex van al die kwesties heeft. De filosofie is geobsedeerd geraakt door het lichaam, de geslachtsdelen om precies te zijn, en produceert aan de lopende band liefdesbaby’s. Na de ‘linguistic turn’, de ‘visual turn’, de ‘empirical turn’, lijkt de sexual turn binnen de filosofie een gegeven. Dat past binnen die praktische wending binnen de filosofie die al langer in gang is gezet: filosofen willen graag nuttig zijn voor het begrijpen van het hedendaagse leven – waarvan iedere week acte in deze rubriek.

Nu de hamvraag. Kan Plato ons helpen in bed? Hebben filosofen iets zinnigs te melden over het vrijen? Ik las mij door de berg heen; nu kan ik met zekerheid stellen: Plato helpt geen moer. Zijn devies: zoek net zo lang door totdat je je wederhelft hebt gevonden. Over seks verder geen woord. Schopenhauer is nog minder opbeurend: ‘de wieg wordt het graf van het liefdespaar’. Maar Lucretius (99 v.Chr.- 55 v.Chr.) is wat mij betreft een van de betere liefdesdoktoren onder de filosofen. Daarover straks meer. Eerst nog iets over die stapel.

De seksuele wending in de filosofie levert merkwaardige, soms krampachtige boekwerkjes op. De Belgische filosoof Ann van Sevenant heeft het in haar Kleine filosofie van het vrijen (2010) bijvoorbeeld over ‘Zijn en komen’ in een variant op ‘Sein und dasein’ en bij haar gaat het om ‘binnenwaarts’ en ‘buitenwaarts’ vrijen. Ze wil geen seksuele vertroosting bieden en ook niet van nut zijn. Machteld Allan (Filosofen over seks) heeft een ander doel: zij wil niet dat de bètawetenschap het alleenrecht op ideeën over seks hebben. Wat volgt is een bundeling van enkele belangrijke teksten uit de filosofie, van Plato’s ‘Symposium’ tot Kants ‘Huwelijksrecht’. Prettig, maar enige duiding van de schrijfster was nuttig geweest. Creatiever is de Duitse bestseller van Richard David Precht. Liefde voor gevorderden. Hoewel ook hij zich wil keren tegen de Darwiniaanse mythe dat we voortgedreven worden door de wil tot voortplanting, is hij geobsedeerd door de zoölogie. Het hele dierenrijk trekt voorbij. Olifanten, muizen, zeepaardjes. Op zijn best is hij Midas Dekkers, maar omdat ik geen muis ben, valt de praktische inzetbaarheid van zijn gedachtengoed tegen. Zijn slotdevies: doormodderen, mensen. ‘Neem een bloemetje mee voor je vrouw zo nu en dan.’ (Tss, je vrouw!). En ‘waarover je niet kunt praten in de liefde, daarover moet je zwijgen’. Tja.

Als filosofen filosoferen over de liefde gaat het meestal om twee vraagstukken: hoe verhoudt de lust zich tot de trouwe liefde? En: wat voor instituut is het huwelijk? Grofweg zijn er twee typen filosofen. De optimist gelooft in ware liefde, en spoort je derhalve aan de ware wederhelft te zoeken (Plato). Als pessimist trap je daar natuurlijk niet in. De pessimisten, onder wie Schopenhauer, meent dat het vinden van de ware een illusie is. Schopenhauer adviseert dan ook liefdesverdriet te vermijden door de wil te sublimeren in een esthetische levenshouding. Nietzsche komt via dezelfde gedachte echter uit op het omgekeerde levensadvies: it’s going to hurt anyway, dus vier het leven uitbundig. Nietzsche kon, nadat hij iemand drie uur kende, overgaan tot een spontaan huwelijksaanzoek (en hij werd keer op keer afgewezen).

Het boek van Lancelin en Lemonnier – waarin zij de liefdesbiografieën van tien grote filosofen vergelijken met hun filosofie – toont dat het leven vooraf gaat aan de filosofie. De filosofie dient om de eigen houding in de liefde achteraf te verantwoorden. Kierkegaard zag af van de kwelgeest die liefde heet en liet zijn grote liefde Regina gaan. Daarna schreef hij prompt dat je maar beter van de liefde af kon zien. Het overzicht van Lancelin en Lemonnier bracht mij twee heldere inzichten. Ten eerste: word nooit de minnares/vrouw van een filosoof. Hannah Arendt (studente en daarna geliefde van Heidegger) mag dan heerlijk gecorrespondeerd hebben met de grote meester, ze kwam op nummer twee. En Heideggers vrouw – die wil je ook niet wezen. Tot aan zijn tachtigste (!) bedonderde Heidegger haar met fraaie jonge studenten. En schreef filosofieën over je zelf verwezenlijken door volop te beminnen. En zijn vrouw? Zij zweeg. Zij nam de rol in van de ‘heilige echtgenote’. Nou ja heilig. Ze had nationaal-socialistische overtuigingen – en zat de carrière van haar man flink in de weg. Maar ze was zijn ‘thuis’ en er was genegenheid tussen de twee.

Tweede inzicht: vergeet Lucretius niet als het om de liefde gaat. Hij vroeg zich af wat voor soort verlangen de liefde nu eigenlijk is. Er zijn, zo stelt hij, natuurlijke, noodzakelijke verlangens, zoals eten en slapen. Er zijn ook onnatuurlijke, niet-noodzakelijke verlangens, zoals een paar Prada’s kopen (hij had uiteraard een ander voorbeeld). En er zijn natuurlijke, niet-noodzakelijke verlangens, zoals mooie wijnen. Seks, liefde, lust: dat zijn de mooie wijnen van het leven: lekker, maar niet per se noodzakelijk, omdat ze niet nodig zijn om te overleven als individu. De voortplanting van de soort komt er ook wel zonder jouw bijdrage. We modderen voort omdat we liefde zoveel noodzakelijkheid toedichten. Maar seks is geen noodzakelijke lichaamsverzorging, zegt Lucretius. Je hebt er nooit ‘recht’ op.

De hele recente stapel boeken ten spijt, onovertroffen in zijn toepasbaarheid blijft de filosofische roman Essays in Love (1993) van Alain de Botton. ‘There is usually a Marxist moment in every relationship’, schreef De Botton bijvoorbeeld, en hij bedoelde dat er een moment komt dat geld een onderwerp van gesprek wordt. Nog een voorbeeld: ‘The telephone becomes an instrument of torture in the demonic hands of a beloved who doesn’t ring’. De Sade voor telefoongesprekken.

Kan de filosofie ons helpen in bed? Niet echt – seks lijkt meer een kwestie van doen dan denken. Filosofie kan je achteraf wel een complexer inzicht geven in al je begane vergissingen. Toch had ik persoonlijk wel iets aan Lucretius. ‘Seks is nu eenmaal een natuurlijke, niet-noodzakelijke handeling, schat.’ Maar dat zegt vast iets over mij.

    • Stine Jensen