Overvallers blijven straffeloos

Bestaat er in Nederland nog een geloofwaardige bestrijding van de criminaliteit? Twijfel daaraan is gerechtvaardigd.

In augustus schreef voorzitter Harm Brouwer van het Openbaar Ministerie dat 80 procent van de georganiseerde geldwitwassers, drugs- en mensenhandelaren niet wordt opgespoord. Hij bepleitte een grootscheepse reorganisatie van de politie, die dit kabinet ook op zich neemt. De politie pleegt jaarlijks circa 1,2 miljoen misdrijven te registreren. Daarvan worden er niet meer dan 275.000 opgehelderd.

Strafrechters raken intussen overbelast. De Haagse rechtbankpresident Bakker klaagde dit najaar over geld- en tijdgebrek voor zijn strafrechters. En de Arnhemse raadsheer Otte schetste vorige week een somber beeld van een rechterlijke organisatie die de grip op het strafproces kwijt is.

Daar kwam gisteren de Utrechtse korpschef Stoffel Heijsman bij. Hij ziet de legitimiteit van de politie afnemen, gezien het geringe succes bij het boeven vangen. En gisteren werden ook de vernietigende conclusies gepubliceerd van criminoloog Cyrille Fijnaut, die met een team de overvalcriminaliteit tussen 2000 en 2009 analyseerde. Zijn conclusie: de resultaten bij opsporing en vervolging zijn zo bedroevend dat de geloofwaardigheid van de héle strafrechtspleging op het spel staat. Een rapport dat alle alarmbellen tot nu toe wist te overstemmen.

Het plegen van gewelddadige overvallen, die sinds 2007 sterk in aantal toenemen, blijkt in Nederland nagenoeg straffeloos. Het ophelderingspercentage kelderde van 36 naar 23 procent. Maar 16 procent van de aangehouden verdachten krijgt een straf, die voor jongeren ongeveer 7 maanden bedraagt en voor volwassenen zo’n twee jaar. De pakkans is dus laag en de strafdreiging eigenlijk niet bestaand. Aanpak en organisatie door de politie zijn geïmproviseerd. De geloofwaardigheid van de politie op straat voor deze daders is inderdaad verwaarloosbaar. Aangezien de dadergroep bestaat uit jonge, doorgewinterde, agressieve veelplegers die iedere behandeling afwijzen, kan de burger met recht bang zijn. Een grandioze wanprestatie dus, zo te zien veroorzaakt door een gebrek aan regie en organisatie. Het rapport leest dan ook als een lange ingebrekestelling, waarin tussen de regels door cynisme en vertwijfeling klinken.

Talloze oorzaken zijn allang bekend. Vele korpsen „laten het al jaren grandioos afweten” als het gaat om de bestrijding van vuurwapencriminaliteit. Stelselmatige inzet van de jeugdpolitie is gewenst. De criminele inlichtingendienst moet volgens Fijnaut actiever worden. Zo gaat het rapport moedeloos verder, om te eindigen in de vraag. „Waar besteedt de Nederlandse politie haar mensen en middelen aan? Kan of moet dit anders?”

De vraag stellen is ’m beantwoorden.