Noodplan Nederland voor de euro gewenst

Ding flof bips, zo luidde het nogal bedenkelijke ezelsbruggetje dat het ministerie van Financiën ruim tien jaar geleden bedacht voor de burger om te onthouden welke landen deelnamen aan de euro. Een flinke crisis later en de gemeenschappelijke munt dreigt de helft van zijn ‘ding’ (Ierland en Giekenland) te verliezen. En als de financiële markten bloed blijven ruiken, zou de euro ook nog eens het merendeel van zijn bips kunnen kwijtraken (Portugal, Spanje en misschien zelfs Italië).

Moet de euro straks dus klein geschapen en zonder billen door het leven? De dynamiek waarin de eurocrisis verzeild raakte, is groot, de uitkomst onvoorspelbaar. Maar regeren is vooruitzien, en nu zelfs de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble heeft gezegd dat de toekomst van de euro op het spel staat, staat speculeren vrij.

Vruchtbaarder dan te kijken wie er afvallen, is te onderzoeken wie er overblijven. Welke staten kunnen zich zonder problemen bij Duitsland scharen, in het geval dat de gemeenschappelijke munt het loodje legt? De beste manier om dat te doen is te kijken naar de spreads, de renteverschillen met Duitsland. Die wijzen uit in hoeverre beleggers en banken een investering in bijvoorbeeld een tienjarige staatslening van een euroland beschouwen als een risico boven een belegging in een onwrikbare Duitse staatslening met een vergelijkbare looptijd.

Nederland heeft daarvoor de beste papieren, met een renteverschil met Duitsland van slechts 0,23 procentpunt, op de voet gevolgd door Finland met 0,24 procentpunt. Dat zijn verschillen die niet eens aan risico’s te wijten zijn, maar aan de wat minder goede verhandelbaarheid van Nederlandse en Finse staatsschuld in vergelijking met de Duitse. Beide landen worden door de markten als vaste satellieten van Duitsland gezien. Dan komt Oostenrijk, met 0,41 procentpunt, waarvoor in wezen hetzelfde geldt. Frankrijk heeft een even grote spread van 0,41 procent, maar komt toch na Oostenrijk omdat de verhandelbaarheid van Franse staatsschuld vrijwel eender is aan die van Duitsland, en dus veel groter dan die van de Oostenrijkers.

Daarna wordt het al wat lastiger. België betaalt 0,89 procentpunt meer rente dan Duitsland, en dat verschil is bijna verdubbeld sinds juli. Italië betaalt nu 1,55 procentpunt meer dan Duitsland, en ook dat cijfer is verdubbeld, sinds april van dit jaar. Hierna volgen de bekende probleemgevallen: Spanje (2,09 procentpunt), Portugal (4,26), Ierland (5,69 procent) en Griekenland (9,26 procent).

Het is veilig om vast te stellen dat Finland, Oostenrijk en Nederland zich probleemloos bij een eventuele Duitse Alleingang kunnen aansluiten. De Franse politieke dynamiek is, zeker met het oog op de machtsverhouding met Duitsland, te onvoorspelbaar om te kunnen zeggen welke keuze dat land zal maken als het er op aankomt. België zou zich kunnen aansluiten, maar is zowel financieel als politiek niet erg slagvaardig.

Hoe dan ook, de tijd wordt rijp dat het ministerie van Financiën en De Nederlandsche Bank een gedetailleerd plan uitwerken hoe Nederland moet reageren als de euro de crisis niet overleeft, en daartoe contacten aangaan met Duitsland en de andere zekere kandidaten voor een noordelijke gemeenschappelijke munt met Frankfurt als spil. De chaos zal enorm zijn en de overgang complex. Een gemeenschappelijk noodscenario is zeker geen luxe. Misschien is het, en zijn de contacten erover, al in de maak. Het zou logisch zijn als daar geen ruchtbaarheid aan wordt gegeven, want het plan zou de Moeder Aller self fulfilling prophecies zijn als het uitlekt. Maar mogen we hopen dat er al een team mee aan de slag is. Zonder bips, maar mét ballen.

Maarten Schinkel