Links of rechts

Ooit wisten we instinctief wat rechts en links is.

Maar inmiddels verspringen links en rechts voortdurend van plaats.

Illustratie Bas van der Schot

Ga naar Schiphol en stel zojuist gelande Britten de volgende vraag: ons land wordt op dit moment geleid door een politicus die oorspronkelijk personeelschef was, het leiderschap van zijn partij veroverde als de kampioen van bijstandsmoeders, een driekamerflat bewoont (met balkon) en één dag in de week onbezoldigd lesgeeft aan kansarme kinderen. Wie is hij?

Dat moet de Nederlandse Labour-leider zijn, zullen negen op de tien respondenten zeggen. Ook zou je deze vreemdelingen een recent fragment van Pauw & Witteman kunnen laten zien: een korte discussie tussen Rick van der Ploeg (PvdA) en Frits Huffnagel (VVD) over het nieuwe kabinet. Hoofdschuddend betoogt de eerste dat Rutte keuzes voor zich uitschuift en terugdeinst voor een ingrijpende sanering van de arbeidsmarkt en andere impopulaire maar broodnodige hervormingsmaatregelen. De ander maakt grappen en wijst erop dat veel mensen afhankelijk zijn van de sociale zekerheid en dat zulke radicale ingrepen niet sociaal zouden zijn. Nu luidt de vraag: welke van deze twee politici is de linkse en welke de rechtse? Ook nu zou de meerderheid waarschijnlijk het verkeerde antwoord geven. En als ze alleen maar zouden kijken, zonder geluid – naar de steile, zorgelijke Van der Ploeg versus de goedlachse, joviale Huffnagel – waarschijnlijk eveneens.

Ook voor autochtone Nederlanders zijn het in dit opzicht verwarrende tijden. Volledig onomstreden zijn de labels links en rechts nooit geweest, maar de laatste tijd lopen ze wel erg vreemd door elkaar. Het is soms net alsof je in een spiegelpaleis loopt. Een soort Villa Volta, maar dan met een verticale as in plaats van een horizontale, waar links en rechts voortdurend van plaats verspringen.

Tijdens de formatie bekokstoofde Rutte nog „iets waar rechts Nederland zijn vingers bij zou aflikken”, zijn kabinet is nog niet rond of hij doet alsof de rechtse component van zijn kabinet geheel voor rekening van de PVV komt: „Nee, meneer Roemer, voor rechts moet u niet bij mij zijn.”

Volgens de SP is dit kabinet zelfs ultrarechts, rechtser dan we ooit gehad hebben, maar zoals het kabinet-Lubbers destijds in de lonen sneed – 3 procent van de ambtenarensalarissen in één klap eraf – zou je dan haast als nazistisch moeten typeren. Volgens Rutte ís dit kabinet ook helemaal niet rechts, maar liberaal-conservatief. Liberaal zal voor de VVD staan, dus dat maakt het CDA conservatief. Nee, zegt Verhagen, het CDA is ‘midden’. Komt de conservatieve component dan van Wilders? Ja, Wilders wil bijvoorbeeld de verzorgingsstaat ontzien. Maar dat wil de SP ook. Dus de SP is ook conservatief. Maar conservatief is rechts! Dus de SP is rechts? Nee, dat wil zeggen, ja, althans, in die zin dat ... enfin, it’s complicated.

Rechts betekent op dit moment in Nederland vooral ‘tough on immigration’, en links dus ‘soft on immigration’. Terwijl dat juist weer een reden was voor Wouter Bos om Ella Vogelaar zo snel mogelijk van het podium te duwen. Wouter Bos, u weet wel, die in Paars II meewerkte aan de liberalisering van de financiële sector, in 2008 miljarden uitgaf om wankelende banken te nationaliseren en nu voor twee keer de Balkenendenorm het grootkapitaal dient. Voor de PvdA lijkt links en rechts soms een soort politiek funshoppen.

Maar Femke Halsema, die zal toch wel links zijn? De JOVD ziet dat anders, die riep haar in 2006 uit tot ‘liberaal van het jaar’. In de verkiezingscampagne stond de VVD alleen met een pleidooi voor radicale bezuinigingen, Rutte koos uiteindelijk voor piano-piano en toen waren het Cohen en Halsema die de cijfers teleurgesteld „boterzacht” noemden en vroegen „waar de hervormingen bleven”.

Hervormingen – ook zo’n woord. Ooit was dat een links begrip, maar onder Paars en Balkenende is het steeds meer een eufemisme voor sanering en marktwerking geworden, ook in de mond van Cohen of Halsema.

Weten we niet instinctief wat rechts en links is? Ooit misschien, maar vandaag? Antisemitisme bijvoorbeeld, dat was toch rechts? Maar wat deed Harry van Bommel (SP) dan op die demo waar ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas!’ werd gescandeerd?

In de jaren zeventig schreef Jan Blokker een boekje getiteld Ben ik eigenlijk wel links genoeg? Rechts bestond niet, je was hooguit niet links genoeg. De enige werkelijk rechtse politicus die het naoorlogse Nederland gekend heeft, is vermoedelijk Frits Bolkestein en ook die pakte niet door toen het erop aankwam. Dat werd de missie van Geert Wilders. Die eet rechtse pap, met een rechtse lepel uit een rechtse nap. En neemt het op tegen de gevestigde orde. De elite – ook zo’n term die ooit iets heel anders betekende. We hebben een rechtser kabinet dan ooit, en de elite zit in de oppositie? Job, Femke, Alexander, is dát de elite? Laat ik nou altijd gedacht hebben dat de elite rijk is, in Wassenaar woont en VVD stemt? Het klopt, en tegelijk klopt het niet.

De beste definitie van rechts en links is misschien alleen nog dat links het rechts van links is, en rechts het links van rechts. Verwarrend? Welkom in het spiegelpaleis van de moderne politiek.

Gelukkig is de wetenschap er nog.

Rechts staat voor orde, kracht, veiligheid en stabiliteit, links voor verandering, zwakte, vrouwelijkheid en wanorde, schrijft Frits Bienfait, die de begrippen links en rechts antropologisch bestudeerde (zie pagina 6-7). Victor Lamme onderzocht hoe het in dit opzicht met onze hersenen gesteld is (pagina 7). Rechts staat voor de primaire driften angst en begeerte, schrijft hij, links voor de verstandelijke beheersing van die driften. Maar als het aankomt op kiezen, betoogt hij, geven emoties de doorslag. Altijd. Ook in de politiek.

De taalkundige George Lakoff hanteert voor links en rechts de tweedeling nurturing parent versus strict father (zie de infographic op pagina 8-9, die deels op Lakoffs werk gebaseerd is). De staat is een metafoor voor het gezin, stelt Lakoff. Rechts is de strenge, autoritaire vader, links de begripvolle, ondersteunende ouder. Rechts is zelfredzaamheid, links is zelfontplooiing, rechts is moraal, links is ethiek, rechts is discipline, links is verantwoordelijkheid.

Die vreemde spiegelingen tussen links en rechts die je nu ziet, hebben daarmee te maken. Als rechts vooral angst communiceert, zou links het van begeerte moeten hebben. Precies waar de kracht van links ooit lag. Begeerte, een brandend verlangen naar een beter leven, is de kracht die het socialisme voortbracht, een kracht die wereldrijken deed wankelen en miljoenen een auto voor de deur bezorgde en een biefstuk op hun bord. Maar wat doet links? Het spreekt niet van hoop, verlangen en begeerte, het probeert de angst te sussen. Ja, de toekomst is eng, maar wij zijn je bescherming. Termen als zwak en kansarm – willen mensen dat zijn?

Toen ik opgroeide, niet zo lang geleden, stond het begrip toekomst voor iets moois, een wenkend perspectief. Bij ons in de buurt werd de eerste Nederlandse supermarkt geopend met automatische deuren, en ooit, wisten wij, zouden alle deuren automatisch zijn. Namelijk: in de toekomst! Dat is nu wel anders. Lees de verkiezingsprogramma’s er maar op na: het begrip toekomst is vrijwel altijd een eufemisme voor dreiging en gevaar. We zitten over alles in de put. De voedselcrisis, de energiecrisis, de kredietcrisis, de klimaatcrisis (tot zover het buitenland, nu volgt het binnenland), het begrotingstekort, de vergrijzing, de islamisering. We wónen in de put.

De Britse socioloog Frank Furedi noemt dit the culture of fear, wij beheersen de wereld niet meer, de wereld beheerst ons. En bij een culture of fear horen politics of fear. De politiek als angstmanagement. „Verenigd in het conservatisme van de angst zijn links en rechts vaak niet meer van elkaar te onderscheiden”, schrijft Furedi. Rechts wil geen stamcelonderzoek, links wil geen genetisch gemanipuleerd voedsel.

Er is geen (linkse) Nederlandse politicus die niet dweepte met Barack Obama. Maar ze hebben hem niet begrepen, want dát was Obama’s geheim: dat hij de politics of fear doorbrak met zijn message of hope and empowerment. Maar een geslaagd Nederlands equivalent van Yes, we can! moet ik uit een linkse mond nog horen.

„De economische crisis hakt erin. Banen gaan verloren, de overheid staat zwaar in het rood en de armoede neemt toe”, begint het verkiezingsprogramma van GroenLinks. Daarom moeten we „de toekomst bij z’n lurven pakken”. Wat pak je bij zijn lurven? Iets wat kwaad in de zin heeft. Zo maakt links de mensen rechts.

Sterker – vooruit, nog één omdraaiing – áls een Nederlandse politicus positieve emoties oproept, komt hij meestal van rechts. De ‘agenda voor hoop en optimisme’ – een PVV-slogan. ‘Ik ben een optimist’ – de lijfspreuk van die driekamerflat bewonende, bijstandsmoeders vertegenwoordigende ex-personeelschef en onderwijsvrijwilliger genaamd Rutte. Bij wie we voor ‘rechts’ dus, misschien, inderdaad, aan het verkeerde adres zijn.