Hardrock speel je ook niet op een ukelele

Het snoeien in grote orkesten totdat alleen het Concertgebouworkest overblijft, is net als het slopen van alle Franse kathedralen op één na, zegt Gabriël Oostvogel.

‘Het gaat ook met goedkope orkestjes” is de kop boven een artikel van Hans Abbing in NRC Handelsblad van vrijdag 12 november. Hij geeft daarin ideeën hoe de kosten van orkesten aanzienlijk kunnen worden verlaagd. Het is een wonderlijk stuk, vooral omdat het geen blijk geeft van enig inzicht in (klassieke) muziek en de Nederlandse muziekpraktijk. Abbing bepleit bijvoorbeeld composities voor kleine orkesten en veel minder musici op het podium.

Dat is er allemaal al lang, los van de symfonische muziek. Abbing wil de orkestenpraktijk vervangen door zijn voorstellen. Weet hij niet dat het hier gaat over verschillende muziekgenres? Orkesten spelen symfonische muziek. Daarvoor heb je een orkest van minimaal veertig en soms zelfs meer dan honderd man nodig. Volgens Abbing kan het met minder. Dan moeten we af van „het taboe op geluidsversterking”. Taboe? Versterking van symfonische muziek gebeurt vaak genoeg: als orkesten in de open lucht spelen, of bij repertoire met solisten uit jazz, kleinkunst of pop.

Er zijn gewoon verschillende manieren om klank te maken. Klank is in alle muziek net zo essentieel als noten, harmonie en ritme. Zoals popmusici alleen al dagenlang bezig kunnen zijn om hun drumgeluid goed op te nemen, zo wordt in de symfonische muziek de mooiste en de best bij de compositie passende klank gemaakt zonder versterking en in een goede zaal – de versterker als het ware van het symfonische orkest. Hardrock speel je ook niet op een ukelele en een tamboerijn.

Abbing heeft het over „te veel respect voor de kunst”. Zeker voor symfonische muziek telt net zo goed het respect voor de eigen muzikale geschiedenis en voor schitterend repertoire waarvan nog steeds vele mensen dagelijks genieten. Orkesten hebben bestaansrecht omdat ze stukken spelen die in alle opzichten de kathedralen van onze muziek zijn, en de dragers van een immense traditie en spelcultuur. Daarmee bedienen ze (dus) ook een groot publiek (jaarlijks 2,5 miljoen mensen, waarvan 1,8 miljoen voor symfonische muziek – meer dan voor musicals).

Bovendien zijn orkesten organismen die veel meer doen dan concerteren: al die musici geven ook les, dirigeren de fanfare of spelen in ensembles in de plaatselijke kerk. Ze vormen de ruggegraat van ons muziekleven, niet alleen voor de klassieke muziek, maar ook, door alle verbintenissen met amateurs, voor andere genres.

Abbing pleit ervoor één ‘groot’ orkest over te laten, het Concertgebouworkest. Het is alsof ze in Frankrijk zouden vinden dat één kathedraal wel voldoende is; de rest kan gesloopt. We hebben de foto’s nog. En een praktisch probleem van dit idee: kan het Concertgebouworkest wel die 1,8 miljoen bezoekers aan?

Er zijn vele soorten muziek. De Doelen, waarvan ik directeur ben, heeft een enorme variëteit aan muziek, van het geweldige Rotterdams Philharmonisch tot aan een uitverkocht festival van Kaapverdische muziek. Dat kan allemaal naast elkaar bestaan, maar de klassieke muziek, en de symfonische muziek als de ultieme vorm daarvan, is de belangrijkste en grootste muziektraditie in ons deel van de wereld.

Er valt wel degelijk veel te doen aan het Nederlandse orkestenbestel, en de klassieke muziekcultuur in het algemeen. Daar hoort ook bij dat al die prachtige muziek op een andere manier aan een (jong) publiek wordt aangeboden dan de huidige conventies voorschrijven. Heel misschien komt er onder de enorme druk van de bezuinigingen een omslag die, om bij Ruttes hoveniersbeeldspraak aan te sluiten, de tuin van de klassieke muziek niet domweg kapt, maar snoeit en bemest. Het ‘plan’ van Abbing betekent volledige asfaltering.

Gabriël Oostvogel is directeur van het concert- en congresgebouw de Doelen in Rotterdam.