Betaal die bèta's dan ook beter

Bedrijven willen meer bèta’s. Het is zo simpel: betaal hen beter, ten koste van de managers, vindt Ger Groot.

Het Nederlandse bedrijfsleven schreeuwt om technisch en natuurwetenschappelijk opgeleid personeel, maar het hoger onderwijs levert daarvoor veel te weinig afgestudeerden af. Die situatie is niet typisch Nederlands. Ook de andere Europese landen kampen met dat probleem. In de VS worden getalenteerde studenten in de wis- en natuurkunde massaal geïmporteerd, vooral uit Azië.

Jeroen van der Veer, voormalig president-directeur van Shell en nu voorzitter van het Platform Bèta Techniek, stelt enkele maatregelen voor om die situatie te verbeteren (opiniepagina, 18 november). Ze komen grotendeels neer op een ruimere financiering van het technisch en natuurwetenschappelijk onderwijs, ten koste van de vakken waarnaar minder vraag is. Als schrikbeeld verwees Van der Veer naar de Universiteit Leiden, waar vorig jaar tegenover nog geen veertig scheikundestudenten het meer dan tienvoudige aantal psychologiestudenten was aangetreden.

Hoe die financiële bevoordeling van het onderwijs de keuze van aanstaande studenten zou moeten beïnvloeden, bleef in zijn voorstel nogal onduidelijk. De enige maatregel waar studenten zelf baat bij hadden en die hen dus direct kon motiveren, bestond uit een wat ruimere studietoelage voor wie een technisch of natuurwetenschappelijk vak kiest.

Juist die laatste maatregel doet de ogen openen voor wat het bedrijfsleven zelf aan oplossingen kan aandragen in plaats van alles af te wentelen op het onderwijs en de staat. Als een financieel extraatje van één jaar de student zou moeten verleiden, hoe effectief zou een financieel voordeel over de hele loopbaan dan wel niet zijn?

Jammer genoeg geeft het bedrijfsleven zelf daarbij het verkeerde voorbeeld. Techneuten en onderzoekers worden in Nederland niet slecht betaald, maar hun salarissen vallen in het niet bij wat een manager of bestuurder in een bedrijf krijgt bijgeschreven. Bepaald niet omdat die laatsten zo veel slimmer zijn, zo veel langer hebben gestudeerd of zo veel harder werken. Maar omdat zíj het zijn die het bij de salarisverdeling voor het zeggen hebben, en dan is het hemd altijd nader dan de rok.

Niet een studie als psychologie (qua studentenaantallen overigens allerminst representatief voor de alfa- of gammastudies), maar de business-schools, met een nog veel hogere studenteninstroom, zijn de ware concurrenten van de technische studies. Wie heeft ooit een chemicus of fysicus zulke fantastische bonussen en ontslagpremies zien innen als bij het bestuurskader gewoon is? Dat gebeurt hoogstens wanneer hij zijn onderzoeksbaan heeft opgegeven en zelf tot het management is toegetreden.

Daartegenover staat dat het bedrijfsleven de toegewijde student in de natuurwetenschappen nog altijd lijkt te beschouwen als een soort seculiere monnik. Van hem wordt verwacht dat zijn intellectuele arbeid hem genoeg is; elk werelds genoegen moet aan zijn geniale gedrevenheid vreemd zijn. Dus kan zijn salaris rustig bescheiden blijven. De onderzoeker is als de artiest die arm moet zijn om grootse werken te kunnen scheppen, en voldoende wereldvreemd om zich niet druk te maken over het slijk der aarde.

Dat is een rijkelijk romantisch beeld van de natuurwetenschapper en het strookt hoogstens in uitzonderingsgevallen met de werkelijkheid. Ook slimme studenten die veeleisende studies als wis- en natuurkunde goed zouden kunnen voltooien, zwichten gemakkelijk voor de roep van het geld – en geef hun eens ongelijk. Wie in de VS nog een echte wetenschap studeert, is niet alleen een nerd, maar ook een loser – en dus moeten ze bij bosjes van elders worden gehaald. In Europa is het nog niet zo ver, maar het gaat die kant op.

Er biggelen dus nogal wat krokodillentranen door de jammerklacht van Van der Veer heen. Terwijl het voor het bedrijfsleven toch zo eenvoudig zou zijn iets aan die scheefgroei te doen. Het hoeft alleen maar de salarissen van regelaars en bestuurders te verlagen ten gunste van hen die het echte werk doen. Ook dat zou een maatregel zijn die – om de vileine woorden van Van der Veer aan te halen – „voor het systeem als geheel geen extra kosten met zich mee hoeft te brengen”.

Zo zou een cultuuromslag de verhoudingen in het bedrijfsleven herstellen, onder de tucht van de markt, waar het zo graag op wijst. Ook hierbij geldt immers de wet van vraag en aanbod. Wie schaarse goederen nodig heeft, zal bereid moeten zijn daarvoor in de buidel te tasten.

Het enthousiasme voor de banen van regelaars, wier aantal de voorbije decennia onstuitbaar is gegroeid, zou drastisch afnemen, met als voordeel dat de onderzoekers hun gang kunnen gaan. Geld zou weer gaan naar degenen van wie het bedrijfswelzijn werkelijk afhangt. En aankomende studenten in de natuurwetenschap zou de ontmoedigende ervaring bespaard blijven dat een hoogwaardig onderzoeksinstituut als Organon de nek wordt omgedraaid ter wille van de targets van het management.

Ger Groot is filosoof en medewerker van NRC Handelsblad.