Ajax' slaapkamer

Naar Ajax bleef ik gisteravond alleen kijken om de laatste ontwikkelingen te volgen in het zogenoemde verstandshuwelijk tussen coach Martin Jol en zijn assistent Danny Blind. Helaas had de NOS-regie, misschien in een opwelling van medelijden, besloten ons dit kijkje in Ajax’ slaapkamer zoveel mogelijk te onthouden. De afstraffing door Real Madrid was al pijnlijk genoeg.

Bij de BBC zouden ze dat anders hebben gedaan. Daar vreten de tv-camera’s de familieleden en coaches op de Wimbledon-tribune zo ongeveer op.

We moesten het hier met onze eigen fantasie opknappen.

Dat ging redelijk, gelukkig.

Ik zag Danny met bemodderde voetbalschoenen de slaapkamer betreden. Partner Martin zat in bevroren houding voor de kaptafel. Zijn rug zei: „Waar ben jij al die tijd geweest?”

Danny ging zonder te groeten op de rand van het bed zitten en trok zijn schoenen met bruuske bewegingen uit. De modderkluiten vlogen in het rond. Martin keek zichzelf in de spiegel meewarig aan en begon zijn haar, of wat daar nog wat van over was, zo luchtig mogelijk te borstelen. Hun zwijgen stond als een blok beton in het midden van de kamer.

Zulke gewapende stiltes kunnen, zoals u misschien weet, tot ware prestige-oorlogen uitgroeien. Beide hoofdpersonen denken: „Over mijn lijk.” Je zag het treffend op de foto’s die zaterdag bij Ajax-PSV waren genomen. Blind hield de blik stelselmatig afgewend, Jol keek gebiologeerd naar het veld, alsof hij getuige was van de wedergeboorte van Maradona in de gedaante van Jan Vertonghen.

Het lastige van het zwijgen is dat het steeds drukkender wordt – en daarmee moeilijker vol te houden. Het is alsof de zuurstof uit de directe omgeving wordt weggezogen. In de slaapkamer van Ajax begon het zelfs ronduit gevaarlijk te worden. Zulke gewezen sportmensen als Danny en Martin zijn nog altijd fysiek sterke lieden met hoge testosteronspiegels. Wanneer zij hun zelfbeheersing verliezen, moet niemand bij Ajax vreemd opkijken als opeens alle zo zuur verdiende voetbalbekers door alle ramen vliegen. Met eventueel Ajax-directeur Rik van den Boog erbij.

Martin was inmiddels achter zijn spiegel vandaan gekomen. Log schommelde hij door de kamer in een kamerjas met afstotelijk bonte kleuren. Danny wierp een snelle, misprijzende blik op hem. Toen begon hij zich uit te kleden, maar zó vlug dat er bij de ander zelfs geen begin van begeerte kon ontstaan.

Martin snoof en zuchtte tegelijkertijd, wat min of meer klonk als „Hoei.” Danny vatte het niet op als een poging tot hernieuwd contact – en dat was het dan ook niet. Hij hield zijn Björn Borg-slip aan en kroop onder de dekens, zo ver mogelijk naar de rand van het bed.

Martin deed het licht uit en legde zich als een onaandoenlijke boomstam naast zijn assistent neer. Hoe lang nog, dacht hij, wanneer kon hij weer terug naar Engeland? Met Ajax zou het nooit meer wat worden, dat wist hij nu wel heel zeker. Niemand was het gelukt. Van Gaal niet, Adriaanse niet, Koeman niet, Van Basten niet. Hij hoefde zich niets kwalijk te nemen. Op dat moment kwam iemand de kamer binnen en deed het licht aan. Johan Cruijff! Hij ging voor het bed staan en las bijna achteloos een korte column voor met de tekst: „Revolutie! Iedereen moet bij Ajax weg! Ik kom niet terug, maar ik blijf wel de baas. Heil!”

Daarna werd het weer donker.