Nieuwe kans voor een diep gevallen sleutelministerie

Het ministerie van EZ is de afgelopen decennia uit het centrum van de macht verdwenen. Door de tijd- geest en ook door ministers met gebrek aan affiniteit met economie. Wellicht is nu een keerpunt aangebroken.

Herman Heinsbroek (links) was 87 dagen minister in 2002. Midden: Het ministerie aan de Bezuidenhoutseweg in Den Haag. Jan Terlouw (rechts) was minister 1981-1982. Foto's Roel Rozenburg, Fotobureau Stokvis

Jarenlang was het de sluitpost in de formatie: oh, ja, en wie krijgt het ministerie van Economische Zaken (EZ). Maar zoals het kabinet-Rutte breekt met de traditionele meerderheidskabinetten, zo breekt het met het departement van EZ als restpost.

Al vrij vroeg in de onderhandelingen over het nieuwe kabinet was duidelijk dat Maxime Verhagen openstond voor een ministerspost aan de Bezuidenhoutseweg.

Er was ook een plan: het was tijd voor een krachtiger ministerie, met meer taken, meer aandacht voor innovatie en met het ministerie van Landbouw erbij. Nu staat er met de CDA-leider een politieke Macher aan het roer. Een vicepremier bovendien. Wordt dat het keerpunt voor een ministerie dat de afgelopen decennia langzaam maar zeker weggleed uit het centrum van de Haagse macht?

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was Economische Zaken het belangrijkste ministerie, een imperium. Dat paste ook bij de maatschappij: in de jaren van wederopbouw was er een geleide economie van toewijzing en rantsoenering. Economische Zaken was, zo werd wel gezegd, het ministerie van Verdeel en Heers.

Maar met de introductie van meer marktwerking, Europese vrijhandel en arbeidsonrust taande de invloed van ‘EZ’. Sociale Zaken heerste in de jaren zeventig en tachtig. Sindsdien wordt het ministerie van Financiën als het machtigste departement gezien.

„Het bedrijfsleven en Economische Zaken waren tot de jaren tachtig twee handen op één buik”, zegt econoom Arnoud Boot. „De topman van scheepbouwer RSV liep er de deur plat. Maar dat veranderde toen er meer dynamiek kwam. Toen de winnaars in de economie verliezers werden, grenzen opengingen, nieuwe succesvolle bedrijven ontstonden.”

Het was kort gezegd het einde van de maakbaarheid van de economie, van het industriebeleid. Zeker toen de steun van de overheid aan de scheepsbouw uitmondde in de RSV-enquête, waarbij heel Nederland op de buis kon zien hoe topambtenaar Joseph Molkenboer vanaf zijn departement een halve industrietak bleek te bestieren.

Hulp aan bedrijven was sindsdien niet meer vanzelfsprekend. Fokker ging failliet, Hoogovens en KLM – die het niet meer op eigen kracht redden – mochten in buitenlandse handen komen. Dat er sinds begin jaren tachtig nauwelijks directe staatssteun meer werd gegeven, was ook een logisch gevolg van de tijdgeest.

Europese richtlijnen verboden het bovendien. De relaties met bedrijven werden zakelijker. Energie- en kabelbedrijven konden zonder veel discussie in buitenlandse handen komen. ABN Amro mocht door drie buitenlandse banken worden opgesplitst.

Maar verloor het ministerie niet meer grip dan nodig was? Ministers waren steeds vaker politieke bestuurders met weinig of geen affiniteit met het economische. Er ontstond een andere sfeer op het departement. Arie van der Zwan, publicist, econoom en PvdA-ideoloog, meent dat daardoor talent is weggezogen. „Vroeger wilde iedereen naar EZ, dat is volledig naar Financiën verschoven. Economische Zaken is een nondescript departement geworden.”

Voormalig secretaris-generaal en econoom Sweder van Wijnbergen: „De intellectuele inhoud is er verdampt. Er was een serie slechte ministers. Het probleem bij dit ministerie is dat het geen natuurlijke agenda heeft. Juist daardoor staat of valt het met de kwaliteit van de minister.”

Het ministersambt op EZ is een meer „opportunistisch ambt” geworden, zegt Boot, een functie in een carrièrepad. En de secretaris-generaal is niet meer zichtbaar in het maatschappelijk debat, hij wordt volgens hem door de minister louter verborgen gehouden om interne zaken te regelen.

Vroeger stond diens traditionele nieuwjaarsartikel borg voor maatschappelijke betrokkenheid en politieke ophef, zoals onder Frans Rutten, de secretaris-generaal van 1973 tot 1990. Boot: „Die verandering is ook een bewuste keuze geweest. Alles gaat nu via de politieke lijn, de secretaris-generaal is te voorzichtig en daardoor onzichtbaar geworden.”

Werkgevers klagen over de afstand die groeide tussen zakenwereld en politiek. Te lang is de ‘Haagse economie’ een economie van ramingen en macrocijfers, zegt Niek Jan van Kesteren, directeur van werkgeversorganisatie VNO-NCW. De aandacht gaat volgens hem te veel naar de verdeling van de vruchten van de economie in plaats van het zaaien van de vruchten zelf.

De échte economie is te lang verwaarloosd, vinden de werkgevers. Zij willen weer een ministerie voor het bedrijfsleven. Het scheelde weinig of het had ook zo geheten. Met Landbouw komt er een hele bedrijfstak bij en verdubbelt het ministerie in omvang.

De lobbyisten van VNO-NCW leverden achter de schermen met succes de blauwdruk voor het vernieuwde ministerie: een krachtiger ministerie, met bundeling van innovatie, en meer regie op het gebied van toponderzoek en hoger onderwijs (zie: Veel meer taken).

Het ministerie van Landbouw is het ideaalbeeld voor de werkgevers: een bedrijfstak met ‘eigen’ universiteit (Wageningen) en altijd goed ondersteund door het eigen ministerie. Dat zou volgens Van Kesteren het voorbeeld moeten zijn, met de drie technische universiteiten (Delft, Eindhoven, Enschede) rechtstreeks onder het vernieuwde EZ.

Maar de werkgevers kregen niet overal hun zin. Er liggen bezuinigingsplannen, ook op innovatie. Het kabinet zegt innovatie belangrijk te vinden, maar hoe moet dat met minder geld, of zelfs veel minder dan beloofd, zoals SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan eerder deze week beweerde?

Economische Zaken heeft de contacten met het bedrijfsleven de laatste decennia onnodig laten verwateren, klinkt het. Maar er bestaat volgens Sweder van Wijnbergen een groot grijs gebied tussen helemaal niets doen en beleid à la Molkenboer. „Toen ik als secretaris-generaal in 1997 bij bedrijven langs wilde gaan om kennis te maken, was er protest op het ministerie. Onze wereld is in Den Haag, vonden de ambtenaren. Maar met zulke contacten is niets mis mee.”

Van Wijnbergen nodigde ook zakenlieden uit. Hij ziet nog hoe Roel Pieper, destijds de tweede man van Philips, het statige departement binnenliep. Een kennismakingsgesprek in 1997. „De dag ervoor had Floris Maljers, toen president-commissaris van Philips, ouderwets uitgehaald naar alles wat overheid is: een hoop gebral over ambtenaren en het afschaffen van alle subsidies”, herinnert Piepers gastheer Van Wijnbergen zich. „‘Zo’, zei ik tegen Roel. ‘De eerste 100 miljoen aan bezuinigingen zijn binnen. Dat is wat Philips jaarlijks aan subsidie krijgt’, grapte ik.”

Maar zulke bezoeken zijn zeldzamer geworden. Het bedrijfsleven zelf treft ook blaam voor het verwateren van die relatie. De neus werd opgehaald voor de landelijke politiek. De arrogantie en hoogmoed van ABN Amro speelden de bank parten toen zij hulpbehoevend werd.

ING, die oer-Hollandse bank, presenteerde vlak voor de kredietcrisis zijn jaarcijfers voor het eerst in Londen. De toenmalige buitenlandse topman dreigde het hele bedrijf te verhuizen als dat gezeur over topsalarissen in Nederland door bleef gaan.

Maar de kredietcrisis en daarop volgende noodhulp aan de financiële sector – volledig geregisseerd door Financiën – veranderen opinies. Zelfs de VVD liet eerder dit jaar weten het vertrouwen te hebben verloren in zelfregulering onder bank. De werkgevers pleiten nu voor een sectorbreed „modern industrie- en dienstenbeleid”.

Maar wat is dat? Economen zijn huiverig voor overheden die zelf de nationale kampioenen gaan uitkiezen. Van Wijnbergen: „Gerichter industriebeleid is een doodlopende weg. Hebben ze in Silicon Valley ooit publieke keuzes gemaakt? Je moet ambtenaren niet laten kiezen waar we sterk in moeten zijn. Dat gaat fout. Dat kun je hen niet kwalijk nemen, ze zijn er niet op geselecteerd.”

De econoom betoogt al jaren dat liberalisering, privatisering of meer markt niet het probleem is. „Het gaat om de randvoorwaarden waaronder dat gebeurt, het toezicht, de handhaving.” Bij monopolies is in zijn ogen een scherpe toezichthouder van belang, of een monopolie nu publiek of privaat is, is minder relevant.

Van Wijnbergen: „Meer markt betekent een andere overheid, niet noodzakelijkerwijs een kleinere of minder belangrijke. Als je energie, zorg of telecom zomaar liberaliseert, loopt het fout. Dáár ligt de rol van EZ. In een liberaliserende markt moet je nieuwkomers beschermen tegen de oude rijke organisaties.” Hij windt zich op. „Economische Zaken ziet dat niet eens als zijn taak!”

Zal Verhagen verandering brengen? De nieuwe minister die ook nadrukkelijk door de werkgevers werd gewenst? Van Kesteren: „Wij hebben alle vertrouwen in goede samenwerking met de minister.”

Volgens Arnoud Boot liggen er genoeg onderwerpen braak die sinds de kredietcrisis ‘geparkeerd’ zijn. „De discussie over zeggenschap van aandeelhouders was pas net begonnen, net als die over private equity of over de kansen en bedreigingen van buitenlandse staatsfondsen. Of over geopolitiek en energiebeleid.”

Van Wijnbergen vindt dat het ministerie zich moet richten op goed onderwijs, de kwaliteit van het arbeidspotentieel, de productiviteitsgroei. „Dat we hier in de Randstad de ene na de andere generatie werklozen, te dikwijls ook nog allochtone werklozen, opleiden is het werkelijke grote probleem in Nederland.”

Boot is blij dat er met Verhagen een machtspoliticus aan het hoofd komt, een machiavellist. Dat is volgens hem nodig in de internationale strijd om de beste mensen en bedrijven en om de economische belangen te behartigen. Als veredeld programmaminister is een bewindspersoon van Economische Zaken voor zijn succes juist afhankelijk van de politieke kwaliteiten. Daarover bestaat geen twijfel bij Verhagen.

„Maar het is wéér iemand zonder achtergrond in de economie”, constateert Van der Zwan over historicus Verhagen. „Bij de opening van een debat kun je wel een standpunt innemen dat door capabele ambtenaren is voorbereid, maar het gaat om de rebound. Het weerwoord in de ministerraad of in andere gremia. Je moet over de argumentatie beschikken. Dat was de afgelopen jaren steeds het zwakke punt van ministers.”

Van der Zwan ziet een interessante discussie in het verschiet liggen als de economie in het vierde kwartaal weer krimpt, waardoor er sprake zou zijn van een tweede recessie. „Gaan we dan door met bezuinigen? Dat is misschien wel het belangrijkste onderwerp van dit kabinet. Je moet dan als EZ een gefundeerd standpunt hebben: de habitus van het ministerie is ‘stimuleren’. EZ is de natuurlijke tegenhanger van Financiën, die strijd zou dan gevoerd moeten worden.”

Van Wijnbergen maakte van dichtbij mee hoe binnen enkele weken een machtsverschuiving plaatsvond. Toen Annemarie Jorritsma aantrad was Gerrit Zalm haar natuurlijke tegenstrever op Financiën. „Annemarie is prima in het openbaar bestuur, dat zie je ook nu weer als burgemeester van Almere. Maar toen zij bij Economische Zaken aantrad, waren we binnen een paar weken een aantal grote onderwerpen kwijt. Ze kwam terug van overleg met Financiën met de boodschap: ‘Gerrit zei dat we op die dossiers niet nodig waren’.”