Landbouwsubsidies brengen Republikeinen in gewetensnood

Gemengd familiebedrijf in Ohio, met vee, maïs en haver. FOTO AP

Wat moet een rechtgeaard Republikein vinden van landbouwsubsidies? Handhaven betekent marktverstoring, afschaffen bedreigt zelfredzaamheid. Bovendien vallen er inkomsten weg. Nu de overheid fors moet bezuinigen, is het debat feller dan ooit.

The New York Times heeft zes deskundigen gevraagd een opiniestuk te schrijven over de heilige doch omstreden Farm Bill: een ideoloog, twee beleidsmakers, een activist, een historicus en een boer. Alleen de boer pleit in zijn opiniestuk voor het behoud van de subsidies, maar zelfs hij zet kanttekeningen.

Wie eet er nou katoen?

Bijzonder is vooral de discussie tussen Republikeinen. Deze vleugel valt uiteen in twee kampen. Sommigen, zoals Brian Riedl van de conservatieve denktank Heritage Foundation, geloven heilig in de vrije markt en vinden het daarom principieel onjuist om boeren te steunen. Anderen, zoals het Republikeinse congreslid Kristi Noem, vinden dat landbouwsubsidies de ‘nationale veiligheid’ waarborgen: het wegvallen van de tientallen miljarden zou Amerika maar afhankelijk maken van voedselproducenten elders in de wereld. In de afgelopen 15 jaar streek Noem overigens drie miljoen dollar aan landbouwsubsidie op. Haar standpunt wordt ook onderuitgehaald door Republikein Riedl, die zich met enige ironie afvraagt ‘wie er nou katoen eet?’.

Ter linkerzijde hebben milieubeschermers de aanval op de landbouwsubsidies geopend. Craig Cox, ondervoorzitter van The Environmental Working Group (EWG), meent dat landbouwsubsidie tot overproductie leidt, met watervervuiling en zelfs een epidemie van obesitas tot gevolg. Dat is volgens hem het echte ‘veiligheidsrisico’.

Experiment van Roosevelt

Burton Folsom, professor geschiedenis, noemt landbouwsubsidies een ‘desastreus experiment’ van oud-president Franklin Roosevelt in 1933. Het heeft de markt op idiote wijze verstoort, meent hij. “We betalen onze boeren om niet te produceren, terwijl de import doorgaat.” Dit systeem overleefde volgens Folsom niet omdat het goed werkte, maar vanwege de boerenlobby.

Belichaming van die lobby is Keith Dittrich, maïsboer en voorzitter van de American Corn Growers Association. Hij maakt niet zozeer een punt van de eigen voedselvoorziening, als wel van de werkgelegenheid. Boeren zouden Amerika ook uit de Grote Depressie hebben gehaald. En nu, na de kredietcrisis, is dat weer actueel: ook omdat fabrieken verhuizen naar de andere kant van de oceaan. Bovendien kunnen boeren het energietekort opvangen, meent hij. “Biobrandstoffen hebben de toekomst.”