Een jaar lang grazen

Het wildbeheer in de Oostvaardersplassen staat weer ter discussie. Vandaag komt een nieuw advies uit. Moet de mens ingrijpen als dieren sterven van de honger?

November

Ik ga dit jaar niet dood.

Ja, dat durf ik te beweren. Een op de vijf zal van ellende omvallen, maar ik blijf staan. Ik ben dik genoeg. Ik heb vijftig kilo vet om op in te teren.

Ik ben nu op de top van mijn gewicht: 260 kilo edelhert, inclusief gewei. Het vet drúípt van me af. Als ik over het grasland draaf, deint het mee. Geniet er maar van, straks steken de ribben door mijn vacht en dat vind jij een akelig zicht.

Ik zie je wel naar me kijken vanaf de Grote Praambult. Ik zag je allang. Ik had mijn oren al jouw richting op gedraaid, de horizon al ver voor je komst gescand. Was je een kiekendief of zeearend, dan had je me verrast. Maar je komt niet uit de lucht vallen, dus zie ik je aankomen.

Jij blijft waar je bent. Ik kan mijn kop weer laten zakken en verder grazen. Want dat is wat ik doe: grazen. Dat is wat mij definieert. Een naam heb ik nooit gekregen, want het Bambi-verhaal gaat hier niet op, zeggen de boswachters. Ik ben een grazer en als al het gras straks is opgegraasd, graas ik netels en riet en twijgjes, tot het gras weer komt.

Ik ga een paar kilometer opschuiven naar de ruige grond. De hindes blijven op het grasland bij de Praamweg. We voegen ons pas de volgende herfst weer bij ze.

Januari

Het gras groeit niet meer, het is te koud. Ik ben een paar graden mee afgekoeld. Mijn poten zijn koud, mijn haren staan overeind. Ik sta in de spaarstand.

Dat maakt me sloom. Je moet me niet te vaak laten schrikken nu, dat kost te veel. Vet is mijn belangrijkste kapitaal. Straks mag je helemaal niet meer komen in het Oostvaardersbos naast Almere, waar ik zal schuilen voor de ijzige westenwind.

Niet dat ik iets van je te vrezen heb. Je hebt geen geweer en geen behoefte om me neer te halen. Denk ik.

Maar dat weet mijn lijf niet, mijn lijf is geprogrammeerd op paniek. En bovendien denk ik niet. Ik voel alleen. Pijn, kou, lust, lege maag. Je dicht me een wil toe? Hou op, ik wil niks. Ik vlucht, ik schuil, ik eet, ik paar.

Februari

Zie je mijn fotogenieke ademwolkjes in het ochtendlicht? Het ging vannacht in één klap ver onder nul. Bij de hindes in het open veld zijn er spontaan een paar omgegaan. Boem. Exit. En dan nóg gaat de rest niet tegen elkaar aan staan. Ons soort is nogal op zichzelf. Liever dood dan bil aan bil met je medehert.

De essen in het schuilbosje aan de westkant zien eruit alsof ze pokken hebben. Dat komt door ons, wij schrapen met onze tanden de schors weg. Zo’n geplunderde es gaat op den duur vanzelf tegen de vlakte. Wat maakt het uit. Als het aan ons ligt, liggen ze over een paar jaar allemaal om. Dan zijn de hele plassen kaal.

Ik ben gaan dwalen, want ook tussen de bomen is niks meer te vinden. Geen twijgje, geen distel. Ik scharrel langs de spoorbaan bij de Trekweg, langs de afrastering, langs het water. De hele dag door. Misschien vind ik wel een dammetje naar het einde van de wereld: de Oostvaardersdijk aan de andere kant van de plas. Alles om mijn maag te vullen.

Maart

Ik ben mager. En kaal, zo zonder gewei. Ik zie er niet uit. Als ik nu een apathische indruk maak, krijg ik de kogel.

Dan trekt de boswachter door zijn vizier een lijn van mijn voorhoeven naar mijn schouder. Eén handbreedte naar binnen zit mijn hart. Een genadeschot heet het, maar ik hoef ‘m niet. Monter doorlopen dus. Bij de roedel blijven.

Twintig procent van mijn soort gaat er deze weken aan. Vooral de kalfjes die hun voorraden hebben besteed aan groeien. Hun vet is op, ze zijn hun organen aan het verteren. Ze kruipen in een stil hoekje en wachten tot het licht uitgaat.

April

Als ik mezelf zo op deze wal leg, vang ik maximaal voorjaarszon. Vanochtend vond ik jonge rietscheuten bij het moeras, waar de 4x4’s niet meer komen. Ik moest mijn hals akelig ver strekken bij de waterkant, op m’n wankele poten. Die rotgans lachte me uit, ik zweer het.

Nu ga ik maandenlang grazen en uitbuiken op het grasland. Investeren in buikspek.

Augustus

Jeuk op m’n kop! Ik word er gék van. De vellen komen van m’n gewei en de vliegen ruiken bloed. Maar, al zeg ik zelf, hij is dit jaar wel erg goed gelukt. Een statig gewei zonder rare lange punt. Daar heb ik vorig jaar nog per ongeluk een konikpaard aan gespietst. Stond opeens midden in een gevecht. Kan gebeuren.

September

Ik ruik seks. Als ik m’n lippen optrek, kan ik het proeven op m’n tong.

Ik heb mijn hele buik volgepist, het druipt uit mijn baard. Ik ben onweerstáánbaar. En vréselijk druk. Moet de grenzen van mijn domein bewaken. Hindes binnenhouden. Dat stel laffe bijherten wegsturen. Met de buurman vechten. Stoer doen. Brullen. En dat alles voor een paar seconden.

En dan wat? Voor een kalf dat ik nooit zie? Dat een jaar gezoogd wordt en dan doodgaat? Maar het moet.

Jij komt nu kijken, in je wandelgroepjes, met je verrekijkers. Jij vindt dit mooi. Natuur, zeg je. Maar jij interesseert me niet.

Oktober

Het is gelukt. Denk ik. Bij een paar. Die ene bleef haar achterste wegtrekken en de zogende hindes willen nooit. En die magere ook niet.

Je kunt je auto nu zó tegen me aanrijden, ik zal niet wegspringen. Zo moe ben ik. Ben vijfentwintig kilo vet kwijt. En het wordt al weer kouder.

Terug naar het gras. Ik zal ook dit jaar niet doodgaan.

Carola Houtekamer