De berg van vuur als thuis

Verhuizen blijkt voor de bewoners van de vulkaan Merapi geen optie.

Wat een rare vraag, vinden zij. „En alles achterlaten? Mijn dorp was altijd al gevaarlijk.”

De plastic stoeltjes zijn gesmolten, de schriftjes van de leerlingen verbrand. Maar de loodzware gehaktballenmachine staat er nog, onder een dikke laag as. Lerares Etty Miftahul Jannah (30) onderzoekt het apparaat. „Die kan nog wel worden gebruikt, als hij wordt schoongemaakt.”

Etty komt redden wat er te redden valt. De landbouwschool waar ze werkt lag op de route van een verzengende wolk van gas en as die op 5 november met honderden kilometers per uur uit de Indonesische vulkaan Merapi raasde. Er achteraan kwam vulkanische modder, die ook een klaslokaal binnenstroomde en nog steeds warm aanvoelt. De Gendolrivier naast de school is helemaal gevuld met modder en stenen, de palmbomen zijn verbrand. De stank komt van het karkas van de schoolkoe, die in het inferno is gesneuveld.

Met haar collega’s haalt Etty de kasten van het kooklokaal leeg. De school was nog geen maand geleden geopend en moest na drie dagen al worden geëvacueerd. Ze kiepert een kist keukengerei uit op het onder as verstopte aanrecht. Nee, de deegrollers en opscheplepels zijn niet meer goed, enkel mixers en broodtoasters nog wel. Dieven die de school na de catastrofe hebben bezocht, hebben gelukkig maar weinig meegenomen. Op de achtergrond klinkt een walkietalkie, want de school ligt op tien kilometer van de krater nog steeds in de gevarenzone. Van een „aardbeving van kleine intensiteit” die wordt gemeld, kijkt niemand op.

Het dodental van de uitbarsting van de vulkaan Merapi is opgelopen tot zeker driehonderd. Vrijwilligers zoeken nog steeds naar lichamen die bij de laatste uitbarsting onder vulkanische modder werden bedolven. De vulkaan is inmiddels rustiger, een deel van de vluchtelingen kan terug naar huis. Meer dan 300.000 mensen bivakkeren nog in het voetbalstadion van Yogyakarta of bij vrienden en familie. De uitbarsting is groter dan de grote eruptie van 1872.

Etty is een van de bewoners van de helling van de Merapi die langzaam terugkeert, nu de ‘Berg van Vuur’ enigszins lijkt gekalmeerd. Met haar grote familie woont ze in het dorp Candi Purwobinangun op elf kilometer van de krater. Het is een lerarenfamilie, die zo’n 20 miljoen roepia per maand (1.649 euro) bijverdient met de verkoop van salak, de bruingeschubde palmvrucht. Net als 350.000 andere hellingbewoners sloegen ze voor de vulkaan op de vlucht.

Nu bivakkeert de complete familie van veertig man bij een collega van haar oudste zus in de stad Yogyakarta, ten zuiden van de vulkaan. Maar net als veel andere vulkaanbewoners kunnen ze hun huis niet helemaal achterlaten. De kippen moeten worden gevoerd, de palmvruchten geoogst. De eerste week gingen ze maar voor twee uurtjes per dag, vertelt Etty’s zus Umi Hadiyati. De berg brulde toen nog als een opstijgend vliegtuig. „We waren wel bang, maar we hadden een walkietalkie en als we zagen dat de vulkaan actiever werd, gingen we meteen naar beneden.”

Nu komen ze voor de vierde dag schoonmaken. Op de oprijlaan ligt nog steeds een dikke laag as, het huis is modderig. De as verstopte de goot, waardoor het dak ging lekken. „Maar de regen heeft ook een hoop geholpen”, zegt Umi. Op de meeste plekken is de as alweer weggespoeld.

Sumidi Bariwinoto, de tachtigjarige vader van Etty en Umi, inspecteert zijn palmvruchtplantage. Veel palmen zijn omgevallen, overal liggen bladeren. Als hij met zijn zeis een tros rijpe vruchten los kapt, regent het as. Maar de echte schade zit in de verdorde bloemen. „Dat betekent dat er in 2011 geen vruchten zijn”, zegt hij. Hij zal voor het eerst zijn spaarbankboekje moeten aanspreken, dat veilig in zijn borstzak zit.

De familie hoopt deze week weer thuis te gaan slapen. Nu is Candi Purwobinangun nog een spookdorp. De regering heeft de elektriciteit afgesloten, om te voorkomen dat bewoners terugkeren. Wil de familie wel terug naar de onvoorspelbare berg? Voor Sumidi is het een rare vraag: hij denkt er niet over om te verhuizen en alles achter te laten wat hij heeft opgebouwd. „Mijn dorp was altijd al gevaarlijk.” Bovendien komt er na een eruptie als dit een paar jaar geen uitbarsting, weet hij.

Als het aan zijn dochter Etty lag, zou de familie wel verkassen. Ze is bang, zegt ze. De hete gaswolken bedolven ook een dorp op achttien kilometer van de krater. Haar school komt waarschijnlijk niet terug, want ze denkt dat de regering de complete buurt zal laten verplaatsen naar een veiliger plek. „Mijn plan is om een nieuw huis te zoeken, maar daar heb ik veel kapitaal voor nodig. En wie zou dit huis nu willen kopen?”

Het is niet het enige waarover vader en dochter van mening verschillen. Sumidi mengt als zoveel Merapi-bewoners de islam met een heilig geloof in de Javaanse kosmologie, waardoor hij precies weet waarom deze eruptie zo dodelijk was. Toen hij jonger was, werd de regio rond Yogyakarta geregeerd door Sultan Hamengkubuwono de Negende. „Hij was iemand met spirituele kracht. Hij praatte met de godin van de Zuidzee en met de beschermgoden van de Merapi. Die hadden het gevoel dat ze werden gerespecteerd, dus brachten ze nooit verwoesting naar Yogyakarta.”

Nu wordt Yogyakarta geregeerd door zijn „oudste en domste” zoon Hamengkubuwono de Tiende. „Die heeft alle spirituele zaken genegeerd. Daarom moet iedereen voor zijn eigen veiligheid zorgen en daarom zijn we nu vluchtelingen.”

Dochter Etty gelooft niet in de theorieën dat er een spirituele as is van de Merapi via het paleis van de Sultan naar de Zuidzee. „Deze uitbarsting was gewoon de wil van Allah.”