Zie ik wel goed genoeg om geen stok te pakken?

Freelance journalisten Karlijn de Winter en Annemiek van Munster (twintigers) ontmoetten elkaar door hun handicap: beiden zijn ze ernstig slechtziend.

Maar ze gaan op een andere manier met hun handicap om. Annemiek zo vaak als mogelijk zonder hulpmiddelen over straat, terwijl Karlijn zich van een stok bedient.

Aan mijn ontmoeting met Annemiek gaat een kleine survivaltocht vooraf over een drukke oversteekplaats. Op het Verwulft in Haarlem staan geen stoplichten met rateltikkers, dus het vraagt opperste concentratie de bussen, auto’s en fietsers te ontwijken. Hoofd goed naar links en naar rechts draaien om de weg af te scannen, oren wijdopen. Lijkt het veilig? Niet aarzelen en lopen maar.

Mijn slechtziendheid is voor medeweggebruikers onzichtbaar. Dat jaagt mijn adrenalinepeil omhoog. Ze verwachten logischerwijs dat ik voor hen op pas. Dat gaat mij prima af, getuige het feit dat ik mezelf nog nooit in de prak heb laten rijden. Maar met mijn zicht van 5 procent en één blind oog is ‘uitkijken’ bij het oversteken wel een stressvolle opgave. Toch leg ik me die verantwoordelijkheid op, want ik verkies het lopen zonder stok.

Voor blinden is zo’n witte stok een onmisbaar attribuut. Bij slechtzienden ligt dat anders. Ik moet zelf bepalen of ik zo’n stok nodig vind. Als ik door mijn stille woonwijk loop hoor ik zelfs de best gesmeerde, bijna geruisloze fiets die komt aanrijden. Op drukke oversteekplaatsen in de stad is er altijd wel een andere voetganger in wiens kielzog ik veilig tussen de auto’s door kan laveren. Ik vind altijd trucjes die ik me kan aanwenden. Ik vind dan ook dat ik ondanks mijn slechtziendheid enorm veel kan. Ik blijk het steeds zonder stok af te kunnen, en dat is een opkikker voor mijn ego.

Een stok zou me ook voor anderen reduceren tot een wandelende visuele handicap. Als ik Annemiek met al haar hulpmiddelen over straat zie lopen is het eerste wat ik denk: daar loopt een blinde vrouw. Automatisch ga ik er vanuit dat zij minder kan dan ik. Zelfstandig haar weg door Haarlem vinden? Dat lukt haar vast niet! Ik onderschat wat ze kan, en wil niet dat anderen mij onderschatten. Van mij denken omstanders vaak juist dat ik meer zie dan ik in werkelijkheid doe. „Zie je zo weinig? Dat had ik helemaal niet in de gaten, je loopt er zo zelfverzekerd bij.” Dat bevestigt mijn gevoel van onafhankelijkheid: voor een hulpmiddel zie ik echt te goed.

Zoals iedereen met een min of meer onzichtbare handicap kan én wil ik mensen soms op het verkeerde been zetten. Ze onderschatten al gauw mijn slechtziendheid. „Heb je een bril van min zeven? Mijn broer ook.” Waarna ik omstandig moet uitleggen dat bij mij deze correctie weinig verschil maakt en dat ik ook met bril op geen boom van een lantaarnpaal kan onderscheiden. Autorijden en zelfs fietsen zijn helemaal uit den boze. Als ik dat niet uitleg, kijken ze raar op wanneer ik in een winkel tegen een paspop begin te praten.

Hoe slechtziend ben ik en hoe slechtziend wil ik zijn voor mezelf en tegenover anderen? Dat moet iedere slechtziende voor zichzelf zien uit te vinden. Dat een stok gewoon een praktisch hulpmiddel is waar ik echt baat bij zou kunnen hebben, verlies ik daarbij al gauw uit het oog. Behalve als een fietser ineens keihard op de rem moet trappen. Dan denk ik: zie ik echt wel goed genoeg om zonder stok over straat te gaan, of verbeeld ik me dat alleen maar?