Voor even geen pa, maar tegenstander

De paardensport wordt tot op hoge leeftijd beoefend. Daardoor komt het vaak voor dat ruiters met ouders concurreren in de ring, zoals in Maastricht.

Netherlands, Maastricht, 20.11.2010 Belgian jockeyfamily Philippaerts in mobile home during Jumping Indoor Maastricht. Father Ludo and his sons Olivier and Nicola (right). foto: Chris Keulen

In ganzenpas lopen zij over het wedstrijdterrein van Jumping Indoor Maastricht. Vader Ludo Philippaerts voorop, zijn zeventienjarige tweelingzoons Olivier en Nicola daar vlak achter. De springruiters uit het Belgische Meeuwen-Gruitrode vormden afgelopen weekeinde een hecht trio bij het hippisch concours.

Van de 88 internationale ruiters en amazones die in Maastricht startten, reden er elf tegen een familielid. Soms ging het om broers, zoals Gerco en Ben Schröder en Leopold en Mathijs van Asten. Soms om neven, zoals Robert en John Whitaker. Maar er zat ook een aantal ouders met kinderen bij, zoals de Philippaerts.

In de paardensport nemen mannen het tegen vrouwen op en de leeftijdsverschillen zijn enorm. Een bijzonder karakter van de sport. „In theorie kunnen moeders tegen zonen rijden en vaders tegen dochters”, zegt Rob de Baar, organisator van Jumping Indoor Maastricht. Al kom je die varianten – deelnemers uit één gezin van verschillende generaties én verschillend geslacht – in de praktijk zelden tegen. „Meestal zijn het vaders en zonen of broers.”

Je zou denken dat het tot een felle concurrentiestrijd leidt: familieleden die om dezelfde prijs strijden. Maar een rondgang in Maastricht wijst het tegendeel uit. „Mijn omgeving was meer met die familiestrijd bezig dan ik”, zegt Piet Raijmakers, die gisteren als 32ste eindigde bij de Grote Prijs van Maastricht. Sinds zijn beroemde vader vorig jaar een punt achter zijn carrière zette, is er volgens Raij–makers weinig veranderd. „Het enige verschil is dat hij nu alle tijd voor mij heeft. In plaats van concurrent is hij nu mijn vaste begeleider.”

Olivier Philippaerts vertelt dat het hem extra motiveert als Nicola goed rijdt. Zoals zaterdag, toen hij tweede werd in een rubriek die zijn broer won. „Ik doe dan nóg meer mijn best, want ik verlies niet graag van Nicola.” Afgunst over diens goede prestaties kent de Europees kampioen bij de junioren niet. Eerder trots. „Toen Nicola dit jaar goud won bij de Olympische Jeugdspelen, voelde het alsof ik zelf in de prijzen was gevallen”, vertelt de ranke Belg. „Er stond toch mooi een Philippaerts op het podium.”

Uit onderzoek blijkt dat topsporters uit hetzelfde gezin zich vaak aan elkaar optrekken, zegt sportpsycholoog Rico Schuijers, die eerder met ruiters van het Rabo Talententeam werkte. „Ze beschouwen elkaar als goede sparringpartners, en maken daar bij medaille-uitreikingen geregeld melding van.” Ook tussen concurrerende ouders en kinderen gaat het volgens Schuijers goed, als er maar geen rechtstreekse duels worden uitgevochten. „Eindig je als springruiter achter je zoon in een veld van twintig, dertig deelnemers, dan betekent dat geen gezichtsverlies. Je kunt altijd nog de wiebelende balk als excuus aanvoeren.”

De sportpsycholoog kan zich wel voorstellen dat sportieve concurrentie tussen ouders en kinderen tot rolverwarring leidt – zeker bij wedstrijden op topniveau. „Want wat zeg je tegen een zoon die je meerdere was in de ring en zich thuis misdraagt? ‘Ga naar je kamer’, klinkt in zo’n geval niet erg overtuigend, vrees ik.”

Volgens Ludo Philippaerts, die al dertig jaar springruiter is, wegen de nadelen van familiebanden in de sport niet op tegen de voordelen. „In de hippische sport ben je erg op elkaar aangewezen. Ruiters zijn afhankelijk van hun paard, één misstap kan het einde van hun carrière inluiden. Dan is het zeer plezant als je je kunt optrekken aan een familielid met verstand van zaken.”

Toch heeft Philippaerts (47) zijn zonen nooit gedwongen om in zijn voetsporen te treden. Dat zijn twee jongste kinderen – van zeven en negen jaar – ook pony rijden, is volgens hem een kwestie van jeugdig enthousiasme. „Als hun voorkeur naar een andere sport was uitgegaan, had ik daar echt niet moeilijk over gedaan. Al zou het organisatorisch wel wat problemen hebben opgeleverd, want ik ben als springruiter zeker veertig weekenden per jaar weg van huis.”

Wie als kind opgroeit op een complex met tientallen paarden, een manege en twee grote buitenpistes zoekt niet naar alternatieven, legt Nicola uit. „Ik heb nog een tijdje gevoetbald en getennist, maar kwam altijd weer bij de paardensport uit. Je staat ermee op en gaat ermee naar bed.”

Ook voor Piet Raijmakers was het al vroeg duidelijk dat hij zijn geld met paardrijden zou gaan verdienen. Als zoon van een bekende springruiter verkeert hij naar eigen zeggen in een luxepositie. „Materiaal, faciliteiten, begeleiding: ik kreeg alles in de schoot geworpen. En alle fouten die mijn vader heeft gemaakt, hoefde ik niet meer te maken. Ik zou niet weten hoe zijn carrière de mijne nadelig heeft beïnvloed.”

Veel van de deelnemers die in Maastricht tegen hun eigen familie uitkwamen, eindigden in de top van een rubriek. „Dat was mij ook al opgevallen”, zei organisator Rob de Baar tegen het einde van het concours. „Maar een verklaring voor die trend durf ik niet te geven. Laten we het maar gewoon op toeval houden.”

    • Danielle Pinedo