Van geiten kon je niet ziek worden

Terwijl Volksgezondheid en Landbouw met elkaar in de clinch lagen, kon de Q-koorts zich jarenlang bijna ongehinderd verspreiden via geitenhouderijen.

Een mysterieuze epidemie trof in mei 2007 het Noord-Brabantse Herpen. Honderd zieken in enkele weken tijd, extreem voor een dorp met drieduizend inwoners. Hoofdpijn, keelpijn, spierpijn en hoge koorts. Sommigen moesten met longontsteking naar het ziekenhuis.

In de zomer werd uiteindelijk een bijzondere bacterie gevonden: de Coxiella Burnetii, veroorzaker van Q-koorts. In 2007 kregen 168 mensen Q-koorts. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dacht dat het om een eenmalige uitbraak ging, die vanzelf over zou gaan. Maar in 2008 kregen 951 mensen Q-koorts, en een jaar later 2.236. Ziekenhuizen in Noord-Brabant stroomden vol met patiënten met ontstekingen aan long, lever of hartkleppen.

Nu, in 2010, heeft de Coxiella Burnetii zich over heel Nederland verspreid en is bijna niet meer weg te krijgen. Dit jaar zijn er 382 nieuwe gevallen gemeld. Veertien mensen zijn aan Q-koorts gestorven, van wie de helft dit jaar.

Vandaag heeft de commissie-Van Dijk onderzoek gepubliceerd naar de besluitvorming rond de bestrijding van Q-koorts. NRC Handelsblad sprak eerder al met betrokkenen, las adviezen en verslagen, en zag dat er tal van kansen zijn geweest om de Q-koorts in te perken. Ze zijn onvoldoende benut. De adviseurs van minister Klink (Volksgezondheid, CDA) hebben, bij gebrek aan veterinaire kennis, inschattingsfouten gemaakt. Het ministerie kon niet bewijzen dat mensen ziek werden van geiten en liet zich imponeren door Landbouw, beschermer van de belangen van veehouders.

Rond het begin van de epidemie was het conflict tussen landbouw- en volksgezondheidsbelangen al zichtbaar. In 2005 werd in de buurt van Herpen op twee boerderijen met melkgeiten Q-koorts ontdekt. In 2006 waren het er zes. In 2007 zeven. De Gezondheidsdienst voor Dieren, een particulier bedrijf dat dierenartsen ondersteunt, meldde dit aan Landbouw. Er gebeurde niets. Peter de Leeuw, toen de hoogste autoriteit bij Landbouw in de strijd tegen dierziekten, verwachtte dat de Q-koorts binnen twee, drie jaar vanzelf zou verdwijnen. Maatregelen waren niet nodig, want wetenschappelijk was niet aangetoond dat mensen ziek konden worden door deze geiten.

Artsen gespecialiseerd in de bestrijding van infectieziekten vinden het belachelijk. Jos van de Sande van de GGD in Den Bosch zegt dat bij epidemieën nooit wordt gewacht op wetenschappelijk bewijs. Eerst handelen, dan uitzoeken. Arts Jan Hendrik Richardus, in 1985 gepromoveerd op Q-koorts, zegt: „Als je wéét dat er op geitenboerderijen veel spontane abortussen zijn, dat de bacterie veel aanwezig is en dat er in de omgeving veel patiënten zijn, dan is a plus b: c. Natuurlijk moet je dan beginnen met maatregelen.”

Toch deed Landbouw in 2007 niet eens zijn best om boeren te waarschuwen. In oktober werd een folder beloofd, maar toen wethouder Hendrik Hoeksema uit Oss in februari 2008 informeerde waar die bleef, kreeg hij van Landbouw dit e-mailtje: „Er wordt, zij het aan de late kant met enig eufemisme, hard gewerkt om deze folder [...] rond te krijgen.” Het lammerseizoen, dus het miskramenseizoen, was al lang begonnen.

In januari 2009 veranderde Hans de Goeij, directeur-generaal Volksgezondheid, zijn mening over de noodzaak van wetenschappelijk bewijs. Tijdens overleg met topambtenaren en specialisten verwees hij naar de Londense arts John Snow, die in 1854 bij een cholera-epidemie ontdekte dat alle patiënten uit dezelfde pomp water hadden gedronken. Niemand wist het fijne van cholera, maar dankzij Snows advies de pomp te sluiten kwamen er geen zieken bij.

Volksgezondheid was overtuigd dat „een relatie met de intensieve geitenhouderij in de regio inmiddels is gelegd”. Maar Landbouw bleef tegenwerken. Officieel heerste er in januari 2009 op vijf van de 300 geitenbedrijven Q-koorts. Met zo weinig besmette bedrijven, zei Landbouw, zijn maatregelen „disproportioneel”.

Maar waren het er echt slechts vijf? De Voedsel en Waren Autoriteit (onder toezicht van Landbouw) telde er in de zomer van 2009 39. Die hoefden niets te doen tegen verspreiding van de Coxiella Burnetii, want ze voldeden niet aan de criteria die in de zomer van 2008 waren opgesteld: een bedrijf is besmet als 5 procent van de geiten een miskraam heeft en het is dan verplicht zich te melden.

Wel nam Landbouw in januari 2009 het besluit alle „kleine herkauwers” in een klein gebied met Q-koorts te laten vaccineren. Dat gebeurde niet, want de fabrikant kon de vaccins niet op tijd leveren.

In de zomer van 2009 werden er zoveel mensen ziek dat er wel iets móést gebeuren. Klink meldde de Tweede Kamer dat de Q-koorts hem „langzamerhand meer zorgen begint te baren dan de Mexicaanse griep”. Hij sommeerde Landbouw het RIVM te laten uitzoeken wat er gebeuren moest.

Het RIVM adviseerde alle drachtige geiten te slachten op inmiddels zéstig besmette bedrijven. Landbouw kon zich er niet meer tegen verzetten. Het probleem was te groot geworden. Eind 2009 gebeurde precies waarvoor Landbouw bang was geweest: voor het oog van tv-camera’s werden tienduizenden geiten afgevoerd.

Achteraf vinden adviseurs van Klink, onder leiding van Roel Coutinho van het RIVM, het onbegrijpelijk dat ze niet eerder aan een fokverbod dachten. Zonder gedekte geiten waren er geen miskramen geweest, dus geen explosies van bacteriën. Komt door Landbouw, zegt de GGD in Brabant. „Volksgezondheid kreeg geen vat op Landbouw.” Daardoor dacht het RIVM ook nog lang dat er meer onderzoek nodig was. Countinho zei in 2009 dat zijn team „niet deskundig is om concrete maatregelen [...] te adviseren”. Daarop antwoordde directeur-generaal Annemie Burger van Landbouw dat ze „geen helder beeld van mogelijke maatregelen” had om verwaaien van mogelijk besmette mest te beperken. „Het wordt moeilijk om wind te vangen.” Het bleef een dialoog tussen mensen uit totaal verschillende werelden.