Staanvlees

Zitvlees hebben wil zeggen dat je lang kunt blijven zitten, geduldig bent. Ik stel voor dat we dit zitvlees vervangen door staanvlees. Als ik mag afgaan op mijn recente lotgevallen in het openbaar vervoer, hebben wij de komende jaren meer staanvlees dan zitvlees nodig.

Het begon, zoals voor zoveel reizigers, vrijdagmiddag in een uitpuilende trein van Amsterdam naar Hilversum. Ik moest naar Utrecht, maar dat was plotseling niet meer bereikbaar. Via Hilversum misschien? De borden noch de omroepinstallatie in de hal van het centraal station gaven informatie, de met twee (!) mensen bemande informatiedesks konden de rijen reizigers niet verwerken. Dus stapte ik op goed geluk in de intercity naar Hilversum, waar ik met moeite nog een staanplaatsje vond.

Dat eerste halve uurtje staan was helemaal zo onaangenaam nog niet. Je ordent wat gedachten, je observeert welwillend enkele medepassagiers en je verandert af en toe van standbeen. In Hilversum, weet je bijna zeker, zal alles beter worden.

Maar nee. Ook in Hilversum werden we opgewacht door slechts vier barse woorden: geen treinen naar Utrecht. Of er alternatieven waren, moesten we zelf maar uitzoeken. Ha! Daar was de streekbus naar Zeist, maar helaas, die was al volgepropt met de eerste horden wanhopigen. Halfuurtje wachten maar op de volgende streekbus. Waar? Ziemaar. Toen de bus eindelijk kwam, ontstond er een korte, maar heftige veldslag om eerst binnen te dringen en vervolgens een zitplaats te veroveren. Alles wat de mens zo heerlijk menselijk maakt, komt op zulke dagen boven.

Als een ware profvoetballer wist ik te incasseren én uit te delen – dat ik ook nog had kunnen bijten, zag ik pas later bij Suarez van Ajax. Ik maaide en werd neergemaaid, tot ik verdoofd naast een dikke dame op een halve zitplaats belandde. Zij bezette zelf anderhalve zitplaats en gezien haar omvang kón ze ook niet anders. Mijn dunne dij schuurde langs haar dikke dij. „Sorry”, zei ze.

Ik ging maar weer staan. Veertig minuten in de lussen naar Zeist, over een kronkelende weg langs een eindeloze hoeveelheid haltes in een duister niemandsland. Kievitsdal! Maartensdijk! Af en toe stapte er iemand schichtig uit, vermoedelijk om zelfmoord te plegen. Nooit heb ik zó naar Zeist verlangd.

In Zeist moesten we op een andere bus overstappen. Nog maar ongeveer 22 haltes naar Utrecht Centraal! Die konden er ook nog wel bij. Op het nippertje ontging mij de laatste zitplaats – wat jammer was, want op zo’n feit ga je toch een beetje gedesillusioneerd staan kauwen, omdat je niets anders te doen hebt. Onmogelijke verlangens begonnen mijn brein te belegeren. Waarom riep zo’n chauffeur niet om: „Op de helft van de reis bieden alle zitters hun plaats aan de staanders aan. Solidariteit, mensen!”

Pas in Utrecht zagen we hoezeer we nog geboft hadden. Het was rond het station alsof er een aardbeving had plaatsgevonden. Onder schaars lantaarnlicht krioelden duizenden mensen zoekend en vragend rond bushaltes.

Ik repte me lopend naar het adres waar ik moest zijn. Daar wachtte me eindelijk de stoel waar ik zo naar verlangd had en van waaruit ik, als een reiziger in lang vervlogen tijden, mocht verhalen over de doorstane ontberingen. Ik was de staanvleesgeworden overlever. Het maakte veel goed.