Poep op de stoep, slop op het erf

Nederlanders waren niet schoon. En de Nederlandse cultuur is niet burgerlijk.

Auke van der Woud maakt in zijn boek korte metten met de Hollandse properheid.

Met zekere regelmaat merken columnisten op dat Nederlandse steden smoezelig en sjofel zijn. Meestal zijn ze dan een tijdje in München, Berlijn of een andere Duitse stad geweest en valt het hun bij terugkeer plotseling op dat de Nederlandse straten zijn geplaveid met kauwgum en de muren beklad met graffiti. Soms voegen ze aan hun klacht toe dat de sjofelheid des te opmerkelijker is omdat Nederlanders vroeger juist bekend stonden om hun properheid. Tot ver in de twintigste was het vegen van de stoep een nationale deugd, nietwaar.

In Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw maakt Auke van der Woud korte metten met de Nederlandse properheid. Het gaat hier om een hardnekkige mythe. In de negentiende eeuw waren Nederlandse steden ontstellend smerige stankbellen. De stedelijke grachten en rivieren waren open riolen die ook nog als vuilnisbelten dienden, zo laat de hoogleraar architectuur- en stedenbouwgeschiedenis in zijn nieuwe boek tot in de goorste details zien. En een groot deel van de Nederlandse steden bestond uit achterbuurten: halverwege de negentiende eeuw woonde de helft van de vier miljoen Nederlanders in één- of tweekamerwoningen, zo becijfert Van der Woud. Vaak waren dat krotten. Ook veel Nederlanders zelf waren haveloos. Ziekelijk bleek, mager door ondervoeding, ‘traag door aardappelenbloed’ en gehuld in lompen deden de krotbewoners zonder gêne hun behoefte op straat.

Ook een andere mythe sneuvelt in Koninkrijk vol sloppen. Al in het voorwoord weerspreekt Van der Woud de algemene opvatting dat Nederland een burgerlijke cultuur heeft. ‘Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk’, zo citeert hij Nederlands beroemdste historicus Huizinga. Maar in de negentiende eeuw was dat in ieder geval niet zo: de helft van de Nederlandse bevolking leidde beslist geen burgerlijk leven. Tussen de proletariërs in hun achterbuurten en de burgers in de betere delen van de steden bestond toen een diepe kloof, schrijft Van der Woud: ‘De samenleving bestond uit twee heel verschillende werelden. Die waren elkaar niet per se vijandig gezind, misschien was er zelfs wel een betrekkelijke harmonie, maar toch waren ze essentieel gescheiden.’

Dat de Nederlandse cultuur altijd als burgerlijk is beschouwd, komt misschien doordat de wereld van het proletariaat altijd verborgen is gebleven, en nu is verdwenen. Van der Woud beschrijft de sloppenwijken als een onderwereld die de 19de-eeuwse gegoede burgers nooit betraden en die de 21ste-eeuwse lezer versteld doet staan. Het was moeilijk om burgerlijk en fatsoenlijk te leven in de vochtige bouwvallen waar gemiddeld vijf mensen woonden in kamertjes van tien vierkante meter zonder ramen, stelt Van der Woud vast: ‘Het onfatsoenlijke leven zat in de ruimtelijke structuur, in de architectuur van de sloppen en stegen opgesloten.’

De achterbuurten, vol ‘gangen’ en ‘spleten’, zoals de nauwe stegen werden genoemd, bevonden zich achter de huizen langs de doorgaande straten. Oorspronkelijk hadden die huizen meestal tuintjes, zoals in Amsterdamse Jordaan, de bekendste, 19de-eeuwse achterbuurt van Nederland die in de 17de eeuw was gebouwd. Maar in de loop der tijd werden de tuinen volgezet met schamele bouwsels die werden verhuurd.

Zo waren de achterbuurten vrijwel aan het zicht onttrokken en konden ze gemakkelijk worden genegeerd door de rest van de stad. Alleen een arts of onderzoeker die voor de overheid de armoede in kaart bracht doolde langdurig rond in de onderwereld en getuigde na terugkeer van de verschrikkingen die ze daar hadden aangetroffen.

Pas aan het einde van de 19de eeuw leidden hun berichten uit de onderwereld tot een voorzichtige verbetering van het helse leven. In de Jordaan bijvoorbeeld bouwden particuliere weldoeners en woningbouwverenigingen op verschillende plekken goede arbeiderswoningen met een wc.

Nederland was laat met de aanpak van de achterbuurten en de aanleg van rioleringen. De Woningwet die de basis werd van de beroemde Nederlandse sociale woningbouw en ruimtelijke ordening dateert van 1901, vele jaren nadat bijvoorbeeld het Britse parlement een vergelijkbare wet had aangenomen.

Van der Woud geeft hiervoor verschillende verklaringen. De belangrijkste is dat Nederlandse politici een grondige afkeer hadden van ingrijpen door de rijksoverheid. De tweede helft van de 19de eeuw was het tijdperk van laisser faire, een reactie op het eerdere centrale bestuur van de koningen Willem I en II dat had geleid tot stagnatie.

De revolutionaire, liberale Nederlandse Grondwet van 1848 bepaalde dat armoede en gezondheid zaken voor de gemeenten waren. Maar die deden daar weinig aan, omdat er volgens Van der Woud geen draagvlak was voor armoedebestrijding: armoede werd algemeen beschouwd als onderdeel van de natuurlijke of goddelijke orde.

Bij armoede hoorden sloppen. Die waren dan ook, net als armoede, van alle tijden. Er is volgens Van der Woud niets dat erop wijst dat er in eerdere eeuwen dan de negentiende geen achterbuurten waren. Bovendien was armzalige behuizing niet alleen een stedelijk verschijnsel. Ook op het platteland woonden de armen, vaak in hutten, onder erbarmelijke omstandigheden.

Het enige verschil met de voorgaande tijd was dat na 1870 het aantal sloppen in de Nederlandse steden snel toenam door de massale trek van plattelandbewoners naar de steden. Ook bij verklaring hiervan kan Van der Woud het niet laten om een gebruikelijke opvatting te bestrijden. Gewoonlijk wordt de trek naar de stad verklaard door vernieuwingen in de landbouw die veel landarbeiders werkloos maakten. Maar daar zijn eigenlijk helemaal geen bewijzen voor, schrijft Van der Woud. Hij citeert een sociaal geograaf die in 1933 vaststelde dat er weliswaar veel was getheoretiseerd over de migratie van de plattelandsbevolking maar dat er feitelijk ‘zo goed als niets’ over bekend was. ‘Deze situatie is nu, bijna 80 jaar later en met meer gegevens, nog niet veel beter’, voegt hij eraan toe. Zo blijft de trek naar de stad, de bron van veel woonellende, een raadsel.

Auke van der Woud: Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw. Bert Bakker, 440 blz. € 19,95

    • Bernard Hulsman