Eenling, altijd in gesprek met zichzelf

De tweespalt tussen dichter en dominee heeft zijn leven en werk beheerst.

Voor de dichter Guillaume van der Graft was de herfst zijn „poëtische seizoen”, zoals hij het formuleerde. Van der Graft is het pseudoniem van predikant Willem Barnard die op 15 augustus 1920 in Rotterdam werd geboren. Gisteren is hij in zijn woonplaats Utrecht op 89-jarige leeftijd overleden.

Barnard is altijd meer een dichter-theoloog dan een gemeentepredikant geweest. Er staan talloze dichtbundels op zijn naam, in 1997 verzameld onder de titel Mythologisch. In 2007 verscheen de keuze uit zijn poëtisch oeuvre 1942-2007, Praten tegen langzaam water. Van der Graft is een van de belangrijkste dichters van het Liedboek voor de Kerken. Psalm 130, vers 1 uit dit liedboek berijmde Van der Graft als volgt: „Uit de diepten van ellende roep ik tot U, o Heer Gij kunt verlossing zenden, ik werp voor U mij neer.”

Barnard studeerde een jaar letteren in Leiden, vervolgens ging hij in militaire dienst en studeerde theologie. Na de oorlog werd hij eerst hulppredikant, later Nederlands-hervormd predikant in Hardenberg. Tussen 1961 en 1971 bekleedde hij de functie van hulppastor van de gemeente Rozendaal in Gelderland. In 1975 ging Barnard met emeritaat en drie jaar later ging hij over tot de Oud-Katholieke kerk. Hij werd meermaals onderscheiden met literaire prijzen, waaronder de Van der Hoogt-prijs (1954), Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1957) en met de Sjoerd Leikerprijs (1998).

Hij was een overtuigd eenling. Als argument voerde hij aan dat hij „als enig kind was geboren. Dan ben je altijd in gesprek met jezelf”.

Het bombardement op Rotterdam heeft de jonge Barnard veranderd. In een interview met deze krant in 1996 zei hij dat „met de brand van Rotterdam mijn jeugdwereld instortte. Ik viel van mijn geloof, ik zocht naar een zin”.

De tweespalt tussen dichter en dominee heeft zijn leven en werk beheerst. Als predikant was hij opstandig, als dichter eerder elegisch en lyrisch. In de liedkunst kon hij beide uitersten verzoenen. „De zeggenschap van het lied overheerst alles”, zei hij eens.

Zijn bekendste gedicht is Vragenderwijs met bijna bezwerende regels als „Ik vroeg het aan de vogels/ de vogels waren niet thuis (...) ik vroeg het aan het water/ waarom zeggen ze niets/ het water geeft geen antwoord”.

Hij heeft al eerder zijn dood voorvoeld en dichtte voor het moment dat die zou komen: „Denk mijn naam wanneer ik dood ben, maar roep mij niet.”

    • Kester Freriks