De minst opvallende grote schaatsvedette

Jenny Wolf (31) heerst al jaren op de 100 en 500 meter. Alleen op de Spelen van Vancouver kon de Duitse haar favorietenrol niet waarmaken.

Maarten Scholten

Tussen de tientallen kinderen op de tribune van het Berliner Sportforum valt Jenny Wolf nauwelijks op. De schaatsster heeft een half uur eerder de 500 meter gewonnen bij de wereldbekerwedstrijden op haar thuisbaan. Nu kijkt ze samen met pleegkinderen uit de Berlijnse wijk Lichtenberg naar de 1.500 meter. „Zij behoren tot mijn grootste fans”, zegt Wolf (31). Dat ze alle affiches in de stad siert, telt even niet. Weg van het oog van de camera’s voelt het nieuwe boegbeeld van het Duitse schaatsen zich sowieso meer op haar gemak.

„Sinds de Spelen van 2006 heeft Jenny contact met deze kinderen”, vertelt haar jeugdtrainer Uwe Hüttenrauch. „Het zijn kinderen die thuis problemen hadden, en in een tehuis of pleeggezin zijn geplaatst. Jenny gaat bij ze op bezoek, organiseert een gezamenlijke wielertocht of in de winter schaatstraining. Soms komen er wel tweehonderd kinderen. Nu heeft ze toegangskaarten geregeld voor de wedstrijden. Zoiets houdt haar meer bezig dan haar eigen populariteit.”

Toch wordt Wolf door de Duitse schaatsbond nadrukkelijk naar voren geschoven, nu Anni Friesinger is gestopt en Claudia Pechstein na twee jaar schorsing pas vanaf 8 februari weer mag meedoen. „Jenny is nu ons uithangbord”, zegt bondstrainer Markus Eicher. „Ze is geen Anni of Claudia, die zich soms ook profileerden met spannende fotoshoots of met strijd in de pers. Jenny is rustig, liever op de achtergrond, een beetje introvert. Ze is zeker geen idool. Dat moet je niet willen veranderen. Dat lukt ook niet, want ze is een heel stabiele vrouw.”

Gunda Niemann, de beste schaatsster aller tijden en in Berlijn als tv-analyticus, trekt een parallel met haar eigen loopbaan. „Ik was ook geen sporter die media-aandacht zocht. Ik wilde zo goed mogelijk presteren en bouwde zo mijn naam op. Jenny doet het net zo. Ik bewonder haar. Dat leg ik de tv-kijkers ook uit. Jenny heeft uitstraling door haar innerlijke rust en grote sportieve successen.”

Zoals Sven Kramer, Shani Davis en Martina Sablikova heerste Wolf de afgelopen olympische cyclus op haar specialiteit. Vier jaar lang won ze de wereldbeker over 100 en 500 meter, drie keer was er goud op de 500 meter bij de WK afstanden, ze werd wereldkampioen sprint in 2008. Mannelijke collega’s dromen van haar snelste tijd op de eerste 100 meter: 10,19. Met 37,00 reed ze vorig jaar haar derde wereldrecord op de 500 meter. Ze greep als favoriete net naast olympisch goud in Vancouver, maar zet haar zegereeks gewoon voort. Vorige week brak ze het record aantal wereldbekerzeges op de 500 meter van de Amerikaanse Bonnie Blair. In Berlijn volgden zeges 41 en 42. Na afloop alweer die bescheiden glimlach. „Dit had ik niet verwacht.” En weg is de minst opvallende grote vedette van het internationale schaatsen.

“Vroeger hoorde je haar ook nooit”, zegt Hüttenrauch. „We hebben haar een keer bijna vergeten, toen we na de wedstrijd stopten bij een Raststätte. Zat ze op een bankje te lezen, terwijl de anderen naar het toilet gingen. We zaten in het busje, ik wilde wegrijden en dacht ineens: we missen er één. Sindsdien keek ik altijd of we Jenny bij ons hadden.”

Eigenlijk wilde Wolf liever kunstrijdster worden, herinnert haar oude trainer zich. „Op haar negende kwam ze met haar moeder naar de club, hier in Berlijn. ‘Vergeet het maar’, zeiden de trainers direct. Te oud. Kunstrijdsters begonnen in de DDR op hun vierde of vijfde. ‘Ga maar naar de overkant, daar kun je ook schaatsen.’ Zo kwam ze min of meer toevallig bij de hardrijders terecht.”

De nieuweling viel direct op. „Ze was de allerbeste op de korte afstanden, 60 of 100 meter. Voor ons was ze toen al een fenomeen. Buiten de baan was ze precies het omgekeerde van een sprinterstype. Ik ken de oude DDR-sprinters, Uwe-Jens Mey of André Sobeck. Dat waren snel aangebrande jongens, ook buiten het ijs. Bij een partijtje voetbal hoefde er maar iets te gebeuren of het was ruzie. Jenny was juist rustig, gelijkmatig, weloverwogen. Pas op het ijs kon ze exploderen.”

Hüttenrauch speelde volgens Wolf op haar vijftiende een cruciale rol in haar carrière. „Het was buigen of barsten”, zegt de huidige trainer van de Deense Catherine Crage. „Jenny kon alleen maar sprinten, alles verder dan 500 meter was een crime. De toenmalige bondstrainers wilden alleen allroundsters en kozen haar niet in de selectie. Toen hebben we elkaar aangekeken en zijn samen doorgegaan. Een sportfysioloog van de trainingsgroep van oud-schaatser Andreas Ehrig deed testen met Jenny en concludeerde dat ze leek op Christa Rothenburger [tweevoudig olympisch kampioen]. Dat was nota bene haar grote voorbeeld. ‘Train alleen 100 en 500 meter, anders maak je alles kapot’, adviseerde hij.”

Twee jaar later volgde hun triomf. Wolf reed een wedstrijdje in Inzell, waar ook de Duitse ploeg startte. „Ze moest tegen Niemann en won. Sensatie. Haar eindtijd was 41,80.” Op de tribune stond Markus Eicher, toen trainer van de Duitse jeugdploeg. „Jenny kwam op haar zeventiende alsnog in de nationale selectie.”

Thomas Schubert werd haar volgende trainer en is dat nog altijd. „Ik heb direct gezegd dat het veel tijd ging kosten om haar naar de top te brengen. Dat is uitgekomen. Het probleem zat aan de technische kant. Ze was ontzettend snel en explosief, maar hield grote problemen in de bochten. Daarom zijn we vanaf 2002 aan shorttrack gaan doen, als eerste in Duitsland. In de jaren daarna zijn we haar hele techniek verder gaan perfectioneren. Daarom rijdt ze nu extreem stabiel, heel diep in de schaatshoeken.”

Wolf past in de Duitse sprinttraditie, met kampioenen als Erhard Keller, Karin Kania, Rothenburger, Mey, Franziska Schenk en Monique Garbrecht. Is Wolf vooral een krachtsprintster? „Onzin”, zegt tweevoudig olympisch kampioen Mey, bekend om zijn volmaakte techniek. „Jenny wint vier jaar lang elke 500 meter. Ze is zo vast in haar techniek. Maak haar om één uur ’s nachts wakker en ze rijdt een perfecte race. Dit is professioneel gezien de absolute topklasse.”

Ook Hüttenrauch nuanceert het belang van dikke bovenbenen. „Je zag vroeger al aan haar spierstelsel dat ze krachtig is. Dat is belangrijk, maar essentieel is hoe snel de spieren het signaal doorkrijgen dat ze moeten werken. Jenny reageert extreem snel. Ook als je met haar praat weet ze direct wat je bedoelt. Haar denkprocessen gaan zeer snel, dat heeft te maken met intelligentie.”

Naast schaatsen en haar activiteiten voor de pleegkinderen vond Wolf de tijd voor een studie Germanistiek en sociologie. Inmiddels is ze begonnen met een economische studie. „Dat geeft me de kans om door te gaan met schaatsen zolang als ik het nog leuk vind”, zegt ze. „Stel dat ik pas op mijn 36ste stop, dan heb ik tenminste iets achter de hand.”

Volgens trainer Schubert is er nog geen plan tot de Winterspelen van Sotsji in 2014. „Het zilver van Vancouver was bitter, daar praten we niet meer over. Je kunt geen revanche nemen voor een olympische nederlaag. Op je 31ste kun je niet denken in periodes van vier jaar. Jenny is bovendien zo slim dat ze zich afvraagt of het zin heeft om nog eens voor goud te gaan. Ze zal dan qua nervositeit niet anders zijn dan nu. Blijkbaar is ze één keer in de vier jaar meer gespannen dan anders. Zo was het in Turijn en in Vancouver, daar moet je niet omheen draaien. Dat doet ze dan ook niet. Jenny is een intellectueel, met vele belangstellingen. En ongehoord zelfstandig en professioneel in haar sportbeoefening. Een bijzonder geval, met haar hele persoonlijkheid.”