Dank, lieve burgers

Stel je voor. Amsterdam, rond de millenniumwisseling. We liepen het huis binnen en de geur van zwavel sloeg ons tegemoet; alsof een damp opsteeg uit de afgrond die ons de adem benam, terwijl achter onze rug de hemel als een boekrol terugweek en de sterren des hemels op de aarde vielen als vijgen. De vrouw in mijn gezelschap snoof. ‘Het ruikt hier naar Apocalyps.’

Nou was net rond die tijd in mij de belangstelling opgevlamd voor de Apocalyps, of beter, het bijbelboek Openbaring. Tegen het jaar 2000 raakte ik benieuwd of het nieuwe millennium groepen op de been zou brengen die hoopten op het einde der tijden en het Duizendjarig Rijk. Die zich zouden keren tegen de antichrist en tegen de tovenaars, de hoereerders en afgodendienaars onder het eigen volk.

Toen ik de Openbaring van Johannes erop nasloeg, bleek het boek vol te staan met sociale kritiek op zijn allerzwartgalligst. De auteur had zijn diepe haat tegen de maatschappij omgezet in hallucinerende visioenen waarin zondaars werden geslacht en opgevoerd aan de vogels.

De schrijver D.H. Lawrence, gefascineerd door de Apocalyps, beschreef de tekst als onaangenaam zedelijk, ‘so uglily moral’. Eenentwintigste-eeuwse commentatoren betichten de auteur van posttraumatische stress of psychosen. ‘It reads like Jesus on acid.’

In Amsterdam kromp de Apocalyps trouwens al gauw weer ineen tot normale proporties. In de keuken lag een gebroken flesje van het Kruidvat op de grond. We zagen nog net hoe de poes schuldbewust wegsprong. ‘Zei ik Apocalyps?’ zei de vrouw, ‘eucalyptus bedoel ik natuurlijk.’ En inderdaad stroomde uit het flesje nog een beetje olie van de eucalyptus, probaat middel tegen malaria, tyfus en cholera, ziekten die wij, zo moet ik toegeven, sindsdien ook niet meer hebben gehad.

Toch was het deze dagen de Apocalyps die ik rook, bij mijn rondgang door Nederland. De cultuursector schreeuwde, Andreas Kinneging voorspelde een burgeroorlog, rechters lagen onder vuur, ministeries werden uiteengereten, het parlement bleek bevolkt door bruten, Johan Huizinga werd niet meer op waarde geschat – de wereld voer ten verderve en uit de mond van valse profeten kwamen onreine geesten tevoorschijn als kikvorsen.

En precies op het moment dat ik dacht dat iets kleins en iets zachts wel leuk zou zijn, las ik in Die Zeit een brief van Bundeskanzlerin Angela Merkel. „Danke, liebe Mitbürgerinnen und Mitbürger”, schreef ze. „U hebt Duitsland gemaakt tot het land dat de wereldwijde economische crisis het best de baas is geworden.” Ze sloot al even liefdevol af. „Als we deze gemeenschapszin volhouden, staat ons een goede tijd te wachten. Mit herzlichen Grüssen, Ihre Angela Merkel.”

Ik legde ze naast elkaar, de brief en de Openbaring. Twee managementstijlen, twee vormen van retoriek. Natuurlijk was de brief van Merkel een poging haar eigen positie te versterken, een triomfantelijke claim op succes, na alle kritiek op haar crisisbeleid. En natuurlijk was de brief leuker voor de burgers van Duitsland dan voor de rest van Europa. Maar ze had toch maar gekozen voor de schijnbaar naïeve toon van dankbaarheid en optimisme – en dat was dapper.

Waarom zou je niet af en toe de burgers complimenteren met hun inzet en hun successen? Dat de immigratiestromen de laatste decennia niet zijn uitgedraaid op Armageddon in Europa, is te danken aan de burgers. Aan de bereidheid van de autochtone bevolking tot inschikken en de neiging van de immigranten tot aanpassen. Ook in Nederland zouden daarover mooie complimenten te maken zijn, als bij ons rechts en links – nieuw rechts en oud links – niet een nogal apocalyptisch mensbeeld zouden delen, dat weinig ruimte laat voor optimisme.

Staat ons een stralende toekomst te wachten, zoals Merkel beweert? Of hebben wij helemaal geen toekomst? In het jaar 2000 bespeurde ik nog geen eschatologische koorts aan het begin van een nieuw millennium, maar inmiddels verwacht de helft van de Amerikaanse bevolking het einde der tijden. Religieus rechts gebruikt het bijbelboek Openbaring als een reisgids de afgrond in. En het lijkt wel alsof Nederland van die gekte een tik meekrijgt.

Het is uiteindelijk heel simpel. Of je gelooft niet meer in de mensheid en je volgt de psychotische sociale kritiek van Johannes – of je schrijft af en toe een briefje aan alle lieve medeburgeressen en medeburgers. En dan niet alleen aan de mensen in je eigen kamp, maar aan allen die het samenleven van zoveel mensen op zo’n klein grondgebied dagelijks tot een fantastische, nou ja, tot een heel aanvaardbare ervaring maken.

Het zou mooi zijn als onze minister-president, voordat hij uit eindtijddenken de gehele Europese cultuur afschaft, nog net iets van D.H. Lawrence zou kunnen lezen. Dan zou hij nog mooiere brieven kunnen schrijven dan Merkel. Over de noodzaak het leven mogelijk te maken voor de goeden en de kwaden tegelijk, ‘the just and unjust – who gives a damn’. Met de hartelijke groeten, natuurlijk.