Zakelijke liefde tussen Rusland en China

In 1969 voerden Rusland en China een grensoorlog. Maar sinds het uiteenvallen van het Sovjet-imperium zijn de onderlinge betrekkingen geleidelijk verbeterd.

Russian President Dmitry Medvedev takes pictures as he visits one of the Russian-held islands claimed by Japan, at the southern Kurils, on Monday, Nov. 1, 2010. Russia's president visited an island in the Pacific Ocean claimed by both Russia and Japan on Monday, triggering immediate protests from Tokyo, which is already involved in a heated dispute with China over islands to the south. (AP Photo/RIA Novosti Kremlin, Mikhail Klimentyev, pool) AP

Rusland en China lijken elkaar de liefde te hebben verklaard. In augustus opende president Medvedev een pijpleiding op Chinees grondgebied voor Russische olieleveranties uit Siberië. In 2015 volgen gasleveranties aan de Volksrepubliek. China is daardoor een van Ruslands belangrijkste handelspartners geworden op energiegebied en neemt ook nog eens zo’n 50 procent van de Russische wapenexport af. En tot slot komen de goede banden ook ten goede aan Ruslands buitenlandse politiek in Azië, want alleen gesterkt door Peking durfde president Medvedev onlangs openlijk tegen Japan te zeggen dat het zijn aanspraken op een deel van de Koerilen-eilanden wel kan vergeten.

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, toen Rusland in een instabiel land veranderde dat vooral met zichzelf bezig was, verbeterden de betrekkingen tussen beide landen – die in 1969 hun dieptepunt bereikten tijdens de korte Chinees-Russisch grensoorlog – al aanmerkelijk. Maar onder Poetin werd pas een hechte band gesmeed, zij het een die zijn beperkingen kent. De liefde blijkt namelijk vooral een verstandshuwelijk te zijn. „Ik wil het geen vriendschap noemen”, zegt Dmitri Trenin, directeur van de Moskouse denktank Carnegie Centrum. „Evenmin kun je zeggen dat het een bondgenootschap is tegen een ander land, zoals de Verenigde Staten. De betrekkingen zijn vooral pragmatisch. Rusland streeft naar een vreedzame verhouding met China omdat het China duidelijk niet als vijand wil hebben.”

Trenin beaamt dat China een zeer belangrijke economische partner voor Rusland is. „Jaarlijks wordt dat belang groter. Ook daarom is het voor het Kremlin belangrijk goede betrekkingen met China te onderhouden. Zolang de aard van het Chinese regime blijft zoals het nu is en er geen agressieve nationalistische tendensen opkomen, zal Rusland die banden dan ook koesteren.”

Diverse factoren staan een gelijkwaardige relatie in de weg. Was bijvoorbeeld het Bruto Binnenlands Product van beide landen eind jaren negentig min of meer gelijk, nu is dat van China vier keer zo groot als dat van Rusland. „Het Chinese BBP is gegroeid, het Russische gekrompen”, zegt Trenin.

Een ander verschil is het mentaliteitsverschil tussen beide volkeren. In het oosten van Rusland nemen Chinezen steeds vaker de plaats in van Russische arbeidskrachten. Chinezen zijn er gewild, omdat ze, anders dan veel Russen, hard werken, niet drinken en gedisciplineerd zijn. In Russische dorpen langs de grens met China trouwen Chinese mannen op grote schaal met Russische vrouwen. Sceptici vrezen daardoor dat China uiteindelijk de Russische gebieden aan zijn westgrenzen zal willen inlijven. Daarom zou China wel degelijk nog een gevaar voor Rusland vormen.

Volgens Trenin is die angst ongegrond. „Vroeger was Rusland echt bang voor China”, zegt hij. „Maar die tijd is voorbij. Rusland is nu veel banger voor zichzelf. Het maakt zich druk over de vraag of het in staat zal zijn een eigen plek te vinden in de wereld van de 21ste eeuw en of het de modernisering van de economie met succes kan doorvoeren. De angst voor het ‘Chinese gevaar’ is dan ook veel minder dan in de jaren negentig. Daarbij komt dat de gewone Russen de Chinezen tegenwoordig veel beter kennen dan vroeger, ook omdat er jaarlijks twee miljoen Russen naar China gaan.”

Gezien de jarenlange vijandschap met China is het volgens Trenin verrassend hoe snel Rusland zich heeft kunnen aanpassen aan de nieuwe verhoudingen met zijn machtige oosterbuur. „Toen Rusland en China elkaar in de zeventiende eeuw voor het eerst ‘tegenkwamen’, stelde Rusland zich op als oudere broer, als de sterkere partner, die het na verloop van tijd zelfs voor het zeggen kreeg in bepaalde Chinese regio’s. Maar in de twintigste eeuw was dat anders, want toen voerde Rusland twee koude oorlogen: een met de Verenigde Staten en een met China. De overgang van die snobistische Russische opstelling van oudere broer en van de vijandschap in de Koude Oorlog naar de huidige goede betrekkingen is zo geleidelijk en zonder deuken verlopen dat je het bijna niet kunt geloven.”