Wie helpt Europa van dreigingen af?

De dreigingen flitsten door Europa, deze week. De vrees voor escalatie van de financiële nood in Ierland nam toe, een terreuralarm in Duitsland wekte opwinding, een politieke crisis in Italië werd voorlopig bezworen. En gisteren zaten veel Europese leiders in Lissabon om met de westerse bondgenoten de NAVO aan te passen aan wat plechtig de ‘nieuwe dreigingen’ heet: van falende staten tot eenlingen die cyberwars ontketenen.

Echt nieuw zijn de meeste bedreigingen niet. Ze zijn zelfs zo regelmatig nieuws dat het haast niet meer opvalt dat politiek in Europa nog voornamelijk gaat over het indammen van bedreigingen, bij voorkeur samen. The Economist noemde dat onlangs, in verband met de continentale muur tegen migranten, het „defensieve klimaat” in Europa.

Het Europese financiële hulpfonds voor eurolanden is de lastigste verdedigingswal. Een klassiek onderhandelingsspel tussen regeringsleiders, dat ook het politieke klimaat in de betrokken landen belast. Zoals in voorgaande jaren de referenda in verschillende landen over Europese verdragen.

Zo werd Europa in Ierland, waar de bevolking door de Europese Unie veel rijker is geworden, met elke hulpaanbod een beetje meer vereenzelvigd met de Britse buur en zijn heerszuchtige verleden. Ook al staat niet de Britse premier Cameron, maar de Duitse bondskanselier Merkel steeds meer in het hart van de Europese macht. Ze doet dat met koppige tegenzin, maar: zonder Duitsland geen redding van Ierland.

Er zijn grenzen. Duitse media houden het „onophoudelijke einde van het tijdperk-Berlusconi” ver weg van het binnenlandse nieuws. Maar dat wordt het wel, wanneer de Italiaanse staatsschuld onbetaalbaar zou worden. Dat risico ontstaat volgens de Italiaanse president Giorgio Napolitano wanneer de regering van premier Berlusconi valt voordat de begroting rond is.

Zo sijpelen de dreigingen die Europa voelt door. Historische huiverigheid voor Duits leiderschap wordt even hard door de feiten achterhaald, als de Italiaanse traditie van instabiliteit onbetaalbaar wordt.

In Frankrijk past president Sarkozy zich ook aan. Op zijn manier. Hij nam deze week afscheid van de ministers die het gezicht waren van zijn politiek-culturele agenda sinds 2007. Weg met Eric Besson, een ex-socialist die als minister van Nationale Identiteit de terugkeer van extreem-rechts in het debat inluidde. „Ik zie af van de nationale identiteit, want die woorden leiden tot misverstand”, zei Sarkozy op tv.

Weg met centrist Jean-Louis Borloo en zijn superministerie van Ecologie, die Frankrijk een gidsland in klimaatbeleid zou maken. Weg ook met minister van Buitenlandse Zaken Bernard Kouchner, socialist en arts-activist, oprichter van Médecins sans Frontières. Hij moest uitvoerder zijn van een modernisering. Daarbij hoorde de herintegratie in de militaire structuur van de NAVO (gelukt) en het breken van de banden met Afrikaanse autoritaire regimes (mislukt).

In de vierde regering sinds 2007, weer aangevoerd door premier Fillon, draait alles om economie en stabiliteit. Baronnen van zijn UMP-partij zitten op sleutelposten. Onder hen de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Michèle Alliot-Marie, al minister sinds 2002, onder meer van Defensie en Binnenlandse Zaken, steevast zonder brokken en spektakel.

Ook terug: Alain Juppé, de ex- kroonprins van president Chirac, die in 2004 een voorwaardelijke gevangenisstraf kreeg om misbruik van publieke gelden. Britse media spreken van een „criminele benoeming”. Fransen herinneren zich vooral dat Juppé in 1995 als premier stukliep als hervormer van de sociale voorzieningen. Voor Sarkozy is Juppé, op Defensie, nuttig tegen verdeeldheid in eigen kring, terwijl hijzelf als voorzitter van de G20 de race naar zijn herverkiezing inluidt. Sarkozy belooft een „nieuw internationaal monetair systeem” en droomt van een rol tussen China en de Verenigde Staten. Het is zijn antwoord op de Europese angsten: weer een wereldmachtje worden.

René Moerland