Vallende wimpers

Zou het telefoontje van Mark Rutte alsnog het HollandBelgium Bid hebben geholpen? De vraag is eigenlijk geen antwoord waard. Sepp Blatter houdt van slijmjurken, en de minister-president kan zomaar de klank van gebak debiteren. Maar toch, beter ware geweest wanneer Rutte via Skype had gecommuniceerd. Dat het FIFA-opperhoofd ook zijn gezicht had gezien, bij de talloos lieve woorden. Die knipogende eenakter. Dat lachje met dubbele neerval op een halfgesloten blik: geen minister-president doet het hem na. Om de drie zinnen onderbreekt deze kabinetsleider zijn betoog voor een strijkorkestje van vallende wimpers. Ook als hij woedend is. Truc of tic? Hij weet het allicht zelf niet. Er kleeft, als vanouds, iets onbestudeerds aan Mark Rutte.

Bij vlagen de glans van een oude viool.

Ik heb er altijd moeite mee als captains op het schip van state sportleiders achterna gaan lopen. Er komt dan toch een vuiltje in het oog van het soevereiniteitsbeginsel. Ruilhandel van gewetens? Was het dat maar. Het gaat natuurlijk om wederzijdse belangen. Om dollars. En mede gezien de reputatie van de FIFA hoort een Nederlandse minister-president daar anders over te denken dan een Zwitserse woekeraar. Een broodje eten met Jacques Rogge: geen bezwaar, maar een telefoontje plegen met Blatter is van een andere orde. Bedenkelijker.

Zou de verdienstelijke pianospeler Rutte van sport houden, van rugby of van voetbal? Voor het beleid hoeft het niet uit te maken. De minister van Landbouw heeft ook nooit een koe gemolken. En denk vooral niet dat de ponygek Henk Bleker van dieren houdt – juist hij misbruikte de nobele beesten als rollend materieel voor een mediagenieke machtspositie.

Hoeveel topsporters zouden ooit minister of staatssecretaris zijn geworden? Erica Terpstra natuurlijk, maar ook weer niet dat je zegt: het hart van de democratie. Pelé was ooit, kort, minister, en Andrei Tsjmil in Moldavië. Ook nog een nobele skiër in Frankrijk. De scheiding tussen sport en politiek heeft niet de kracht van wet, maar wel de kracht van gewoonte. Terwijl beide werelden wel testosteronenclaves zijn.

Voor de meeste politici is sport een schurkpaal ter bevrediging van het vermeende charisma. Koningskinderen zijn daar ook gevoelig aan. Ze faken belangstelling. De Vlaamse minister van Sport, Philippe Muyters, kent niet eens het verschil tussen biljarten en darten, maar staat toch ongegeneerd in rubberen laarzen te pronken naast het podium van veldrijders. En zie hem dan huiveren voor elk spatje slijk dat uit de gezichten van crossers valt – in totale weerzin. Gebeeldhouwde racist van slijkduivels, zo staat hij daar. Mark Rutte en veldrijden? Tang op een varken. In deze echte wereld zou deze mocassinpremier zich geen houding weten te geven.

Een van zijn voorgangers was nochtans een absolute wielergek. Dries van Agt kreeg in de jaren zeventig niet genoeg van de Tour de France. Joop Zoetemelk heeft nog steeds nachtmerries van de dwingende omhelzing waarin Van Agt hem, etappe na etappe, aan de borst wou wurgen. In een wolk van sigaren. Als een fotograaf in de buurt was, wou Dries ook nog ostentatief de drinkbus met de renner delen. Voor het plaatje. Toen Van Agt later EU-ambassadeur in Japan was, klom hij bij elk ceremonieel bezoek aan de provincie op een racefiets. Japanse boeren zagen de zee branden bij het beeld van die lange, spichtige Hollander in voetriempjes. Van Agt was gelukkig.

Europees president Herman van Rompuy is stapelgek van RSC Anderlecht en premier Yves Leterme is een diehard van Standard Luik. Zij menen het. En er is Silvio Berlusconi die van AC Milan een bordeelsuite heeft gemaakt. Opvallend was ook dat koning Juan Carlos, op de sluitingsprijs van de Formule 1 in de woestijn, aanwezig was in de heilige overtuiging dat Fernando Alsonso die dag wereldkampioen zou worden.

Sport en politiek: vaak huurlingen van elkaar, maar zolang het privé is, maakt het niet uit. Alleen, ik kan niet tegen handel in soevereiniteit. Mark Rutte mag het economische belang van een WK best onderkennen, en daarvoor zelfs een paar slimme diplomaten aan het werk zetten, maar zelf hoort hij voor de FIFA hemellichaam te blijven. Zo al aanspreekbaar, dan hooguit per bedelende audiëntie. En ook nog met wachtkamer.

Premier belt Blatter: het schrijnt tot in mijn diepste vezels van democratische geborgenheid. Ik wil een premier die Madonna, Usain Bolt of Paul van Vliet belt. Achteraf, vooral. En die vervolgens tegen Frits Bolkestein zegt: „Dat kreeg jij niet voor elkaar, hé; jij, godvergeten geleerde.”