Nieuw leven op veilige plek is ijdele hoop

De aardbeving, het orkaanseizoen en nu cholera. Een Haïtiaan kijkt niet verder dan een dag. Leven in Port-au-Prince staat gelijk aan overleven.

Dogs looking for food in a street covered with garbage in a market in Port-au-Prince dowtown, Haiti,Thursday, Nov. 11, 2010. The cholera epidemic that has entered Haiti's capital has caused the hospitalization of more than 11.000 people across the crountry and claimed at least 643 lives, mostly in the countryside.(AP Photo/Emilio Morenatti) AP

PORT-AU-PRINCE, 20 NOV. - Haar leven is zo goed als voorbij, zegt Carol Brevilus – 33 jaar oud. De enigen die toekomst hebben, zijn haar vier kinderen. „Maar dan moeten ze niet ziek worden, geen cholera krijgen”, zegt ze. Brevilus, een forse vrouw op blote voeten, is somber vandaag.

Sinds ze haar huis verloor tijdens de grote aardbeving in januari, woont ze in een tentenkamp op het plein voor het ingestorte presidentiële paleis in de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince. Aan een gazen hek rond de ruïnes hangen posters van alle presidentskandidaten voor de verkiezingen van volgende week.

„Er is de afgelopen negen maanden niets gebeurd”, zegt Brevilus. „Waarom zou dat veranderen? Kijk om je heen.” In de goot naast het plein ligt plastic en ander afval. De geur van urine is zwaar. De zelfgemaakte tenten van stokken, touwen en zeil lijken elk moment te kunnen omvallen.

Dan is er ook nog „die vreemde ziekte die cholera heet, waar wij nog nooit eerder van gehoord hadden”, vertelt Brevilus.

Is zij bang? Natuurlijk.

Maar haar belangrijkste zorg is: overleven. Elke dag weer. Je kunt niet te lang stil staan bij alles. Ze zegt: „Kleren moeten worden gewassen. De kinderen moeten eten. Ik kan ze daarbij niet alleen laten in dit kamp. Er zijn hier al drie meisjes aangerand.”

Zo is de realiteit voor veel Haïtianen na de aardbeving. De scheidslijn tussen noodtoestand en een normaal leven is dun. Orkaan Tomas viel begin deze maand nog mee, de cholera grijpt om zich heen. Het is ramp na ramp. De horizon van een Haïtiaan reikt niet verder dan een dag.

Er is een beetje hoop dat een nieuwe president en een nieuwe regering de trage wederopbouw een impuls kunnen geven. De huidige regering van president René Préval is onzichtbaar en besluiteloos, hoor je veel. De Haïtianen vinden dat, en de internationale organisaties zijn het binnenskamers met hen eens.

Wie door Port-au-Prince rijdt, ziet weinig vooruitgang, ondanks de miljarden aan hulpgelden die het land zijn toegezegd. Om bijna iedere hoek kom je armoedige tentenkampjes tegen. Een dubbel geklapt dak op iets dat ooit een huis was, een auto bedolven onder steen. De gevolgen van de aardbeving zijn nog altijd zichtbaar. Een positieve ontwikkeling is dat al redelijk wat puin dat op wegen lag, is opgeruimd. Al rijdt het verkeer in de overvolle, stoffige straten – grote jeeps, motoren, toeterende vrachtwagens en bussen – steeds in slowmotion.

Sommige inwoners zijn alweer begonnen met het bouwen van huizen, zoals ze dat vroeger deden. Zonder toezicht van de autoriteiten, zonder bouwkundige regels te volgen. Wachten op hulp of op het aanbod van een nieuwe woning is geen optie.

In de hooggelegen wijk Darbone hebben de inwoners het leven eigenhandig weer gestructureerd. Toen deze krant de hoofdstraat van Darbone in maart van dit jaar bezocht, waren de meeste bewoners de verwoeste wijk ontvlucht. Nu, negen maanden later, zijn velen weer teruggekeerd uit de tentenkampen. Een nieuw leven op een veilige plek bleek vooral ijdele hoop te zijn.

Een van de achterblijvers destijds was de schilder Michel Marlus. Hij weigerde zijn straat te verlaten en had zichzelf opgeworpen als buurtchef. Iedereen in de wijk kent hem, dus lang duurt het niet voordat Marlus wordt gevonden. Daar komt de schilder al aangelopen, langs de in het afval wroetende varkens.

Misschien kan je Marlus cynisch noemen, maar opgeven doet hij niet. Veel is er niet veranderd, zegt Marlus ongevraagd, behalve „dat we nu moeten opletten dat we geen cholera oplopen. Zo is er altijd wel wat. Daar raak je ook aan gewend.”

Het leven is weer opgebloeid in de straat van Marlus. Winkeltjes in tentjes en een kapper hebben weer klandizie. Op het puin van ingestorte huizen hebben de mensen nieuwe constructies gebouwd. Niet ideaal, niet veilig. Maar het is tenminste iets.

Zelf woont Marlus met zijn zus en kinderen in een tent op een dak van een huis dat nog net overeind is blijven staan. „Wat moeten we anders?”, zegt hij. „Ik werk af en toe, als schilder, en daar redden we het amper mee.”

Marlus heeft nog geluk dat hij af en toe werk heeft. Dat kan Carol Brevilus verderop in de stad niet zeggen. Voor de aardbeving verkocht ze groente op straat. Nu ze haar kinderen niet alleen wil laten, kan dat niet meer. „Ik moet eten regelen, van familie, en soms van organisaties.”

Brevilus wil laten zien hoe ze woont. Zij wurmt zich tussen allerlei tenten door, stapt over armen van slapende mensen, langs spelende kinderen. Er is amper plek om te lopen.

Haar tent staat naast die van haar vriendin Olda Antoine (36), ook moeder van vier kinderen. De vaders van de kinderen zijn verdwenen. Op de grond liggen enkele matrassen en onderbroeken. Er staan enkele emmers en teilen, potten en pannen. Voor de tenten twee kooktoestellen. Olda Antonoine zegt: ,,Dit is ons leven.”