'Ik hield van het leven daar'

Boudewijn van der Gaag (1942) groeide grotendeels in het buitenland op. ‘We heetten daar ‘Vandergaag one, two, three and four’’.

‘Het reizen zat mijn vader in het bloed. Op zijn dertiende voer hij al naar Indië als lichtmatroos. Hij kwam met malaria terug. Na een studie geofysica in Utrecht kreeg mijn vader een baan aangeboden bij BPM, een dochteronderneming van Shell. Hij ging in de bush naar olie zoeken: Borneo, Argentinië, Venezuela. Zijn vrouw, een kleermakersdochter die hij op de zwemclub ontmoet had, beviel in Argentinië van hun eerste kind, Lex, en in Venezuela van Hein, nummer twee.

„Na zestien jaar brak de oorlog uit en keerden ze naar Nederland terug. Mijn vader wilde niet onder Duits toezicht werken en nam ontslag bij Shell. Om aan geld te komen legde hij zich toe op het bedenken van bordspelletjes, en hij werd actief in het verzet. ‘Een mens kan honger en dorst verdragen, maar geen onrecht’, was een van zijn motto’s. Hij zocht adressen voor Joodse onderduikers en reisde met hen mee in de trein. Hij kwam in de Raad van Verzet en werd aan het eind van de oorlog gevraagd voor het College van Vertrouwensmannen, waar ook Willem Drees in zat. Hij ging er twee keer voor naar Londen.

„Inmiddels was mijn vader voor de tweede keer getrouwd. Zijn eerste vrouw was in 1941 bezweken aan een longontsteking en hij hertrouwde nog in datzelfde jaar met Berdina, haar jongste zus. Dat was mijn moeder. In 1942 werd ik ge-boren en twee jaar later kwam de tweeling Maarten en Miesje.

„Na de oorlog werd mijn vader door het College van Vertrouwensmannen gevraagd of hij wilde toetreden tot de Buitenlandse Dienst, waar dringend mensen nodig waren. Mijn vader aarzelde omdat hij niets van het vak afwist, maar hij deed het toch: hij had een gezin te onderhouden en hij was een geboren avonturier. Zijn eerste post was in Mexico-Stad. Ik herinner me dat we met de Holland-Amerika Lijn aankwamen in Veracruz. Mijn vader was daar al, hij stond ons op te wachten. We vlogen in een Dakota naar de hoofdstad.

„In Mexico ging ik voor het eerst naar de kleuterschool. Ik leerde Spaans. Ik had een keer sandalen aan en toen lachten de kinderen me uit, omdat het vrouwenschoenen waren. Mijn ouders kregen nog een tweeling: Roland en Richard. Voor hun geboorte ging mijn moeder naar Nederland terug; wij volgden een jaar later. Mijn moeder ging met ons in een huis in de Leersumse bossen wonen, en mijn vader trok verder. Zijn volgende posten waren in Praag, Singapore en Rangoon.

„In Leersum ging ik naar een lagere school met boerenkinderen. Mijn moeder noemde het de ‘klompenschool’. Toen ik als een van de eersten in bluejeans naar school kwam, met de pijpen opgerold zoals iedereen in Mexico het deed, werd ik vreselijk uitgelachen: mijn broek was te lang. Toch vond ik Leersum leuk. Ik kon me goed aanpassen. Voor mijn moeder was het er wat eenzaam. We verhuisden naar Wassenaar en daar ging het beter met haar. Thuis was de sfeer ontspannen. Mijn moeder wist niet altijd overzicht te houden, maar ze had een groot gevoel voor humor.

„Mijn vader was in die jaren ver weg. We kregen foto’s opgestuurd waarop hij in smoking op recepties stond. Hij had ongetwijfeld vriendinnen; het was een charismatische man, die zich waarschijnlijk erg opgesloten voelde in de alledaagsheid van een gezin. Na Rangoon haalde Buitenlandse Zaken hem terug voor een baan op het ministerie en kwam hij bij ons in huis. Er werd een aparte kamer voor hem ingericht; mijn ouders hadden een verstandshuwelijk, tot beider tevredenheid overigens.

„In het begin was het onwennig. Maarten sprak mijn vader per ongeluk een keer met ‘meneer’ aan. Voor zijn volgende buitenlandse post stond het ministerie erop dat mijn vader zijn gezin mee zou nemen. Het werd Chili. Lex en Hein bleven in Nederland; zij waren al ver met hun opleiding. De overtocht duurde vijf weken, want mijn vader wilde over zee. Het was een Zweedse boot.

„In Chili braken zonnige jaren aan. Mijn vader was nu heel actief met het gezin bezig. Hij was zeer goed georganiseerd en hij was stipt: wie niet om kwart voor acht aan het ontbijt verscheen, kreeg geen eten. We gingen eerst naar een Engelse jongensschool, waar we uniformen droegen en ‘Vandergaag one, two, three and four’ heetten. Daarna switchten we naar een school van Amerikaanse paters. We reden paard. Ik hield van het leven daar. Het paste bij me.”

Jij redt het prima in je eentje, zegt zijn dochter altijd, en dat klopt. Hij heeft aardige buren, een hulp in de huishouding, en hij is veel op reis. In Chili wonen nog altijd goede vrienden.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl