IJdel, lui en rot

Raadsheer Rinus Otte doet een boekje open over strafrechters. ‘Wat meer decorum, bescheidenheid en beroepstrots, dat zou al geweldig helpen.’

Folkert Jensma
Arnhem, 15-11-2010. Prof.Mr. Rinus Otte, vice-president van het Gerechtshof Arnhem, hoogleraar in de organisatie van de rechtspleging aan de rijksuniversiteit Groningen. Foto Leo van Velzen NrcHb.

Hij heeft er z’n ziel en zaligheid ingelegd en is in een opgewekte stemming. De nieuwe Groningse bijzonder hoogleraar Organisatie van de rechtspleging dr. Rinus Otte brengt dezer dagen twee boeken uit. Beide gaan ze over het beroep dat hem zeer lief is en dat hij ook blijft uitoefenen. Het rechterschap, in zijn geval, raadsheer in een gerechtshof. Gisteren verscheen De nieuwe kleren van de rechter, bedoeld voor het geïnteresseerde publiek. En volgende week zijn oratie Organiseren en verantwoorden door de strafrechter.

Otte spreekt zacht, snel en veel. Hij wil eerst weten wat de interviewer dacht van De nieuwe kleren van de rechter, de handelseditie van zijn oratie die hij vrijdag houdt. Otte schrikt van het antwoord. Een kruising tussen Het Bureau en Onder Professoren, zeg ik. Een demasqué van de rechterlijke macht. Een ‘kiss and tell’-boek. Hoe is het mogelijk dat strafrechters elkaar intern zo het leven zuur maken? Maar dat zijn hele bittere boeken, protesteert hij. En zo ben ik niet!

Otte is geëngageerd, verdedigt het rechterschap hartstochtelijk als een roeping en relativeert de tekortkomingen van zijn collega’s stelselmatig. Zelf heeft hij het enorm naar zijn zin. Terwijl zijn interviewer nog dacht een typische teleurgestelde, fin-de-carrière professional te ontmoeten, die naar de universiteit vertrekt en nu nog even de klok luidt. Het tegendeel blijkt waar. Otte is nog maar vijftien jaar rechter. Binnenkort wordt hij vijftig. Hij was wetenschapper in Tilburg en Groningen, waar hij hoogleraar Verkeersrecht werd. Hij begon midden jaren negentig als rechter plaatsvervanger in Assen en werd uiteindelijk raadsheer in Arnhem.

HECHT TEAM

Na een moeizame periode als gerechtsbestuurder leidt hij nu weer een strafkamer. Hij gaat er iedere dag fluitend naar toe. Hij verheugt zich op wat nog komen gaat. Bij het Hof Arnhem probeert hij nu zijn eigen oplossingen uit. En met succes. Zijn zogeheten ‘Arnhemse experiment’ herstelt de strafkamer als ‘ambachtsplaats’. Er is een hecht team van rechters en griffiers gevormd, die zaken anders, intensiever voorbereidt waardoor veel minder zittingstijd wordt verspild. Doorloop- en behandeltijden zijn verbeterd, arbeidsvreugde is toegenomen. Rechters verantwoorden zich voor het eerst intern voor hun werkwijze. In ruil daarvoor krijgen ze meer autonomie. Otte heeft het gevoel dat hij op een nieuw en veelbelovend spoor zit.

Zijn oratie gaat over bestuurskunde, over werkgemeenschappen van professionals die notoir lastig te besturen zijn. Hij wil de rechterlijke organisatie bewust maken van de problemen en het onderlinge gesprek openbreken. Dat deed hij met een onthullend boek. Niemand weet immers hoe het er binnen gerechten aan toe gaat. Behalve rechters zelf. Dat is nu anders.

Het boek zorgde deze week voor krantenkoppen waar alle rechters in Nederland van schrokken. Niet nóg een nieuwsstorm over falende rechters, na het proces-Wilders, na de gerechtelijke dwalingen Lucia de Berk en Ina Post. Na de verhalen over verloren strafdossiers, in de trein en op straat.

Otte trok het gordijn weg voor een rechterlijke organisatie waar te veel wordt geklaagd en die daarom ‘in verval’ is. Hij heeft het onbekommerd over ‘interne rot’, stagnatie, onderlinge vervreemding, sfeerbederf, klaagcultuur, ijdelheid, luiheid, misbruik van vrijheid, slachtoffergedrag, ‘werkgeweld’, vriendjespolitiek (bij benoemingen), gebrekkige controle en correctie, verspilling, isolement, kwaadspreken, frustratie en een schijnbaar gebrek aan professionaliteit. Zijn boek is doorspekt met voorbeelden van (geanonimiseerde) rechters die elkaar en hun bestuur dwars zitten.

Maar van een crisis wil hij niet spreken. Ook niet van een faillissement. „Uiteindelijk past het ministerie van Justitie altijd bij”, zegt hij in zijn oratie. Maar de rechterlijke organisatie begint wel de greep te verliezen op de organisatie van het strafproces. Behandel- en doorlooptijden lopen op, met name bij de gerechtshoven. Bij meerdere gerechten schommelt het percentage strafzaken dat is ‘aangehouden’ – nog op de plank ligt – tussen de 20 en 60 procent. Otte meent dat er jaarlijks miljoenen euro’s worden verspild doordat zittingen worden ‘geboekt’ voor strafzaken, die daarna worden uitgesteld wegens (te voorziene) complicaties. Bij het Arnhemse experiment waar het accent sterk op voorbereiding ligt, is het percentage aangehouden zaken teruggebracht tot 7 procent. Rechters hebben daar veel meer greep ontwikkeld op het verloop van ‘hun’ zaken. In ruil moeten ze soms meer zittingen doen om het afgesproken aantal arresten te halen. Sturen op dit type resultaten is nuttiger dan van rechters deelname eisen aan een verplicht aantal zittingen, vindt hij.

KLEM RAKEN

Otte claimt dat zijn waarnemingen, opgedaan in een handvol gerechtshoven en rechtbanken, representatief zijn voor de hele strafrechtspraak. De toonhoogte kan bij sommige gerechten anders zijn, meent hij, “maar de teneur is bijna overal hetzelfde. Dat is een belangrijke claim van mijn boek”. Sterker, hij meent dat zijn observaties opgaan voor iedere organisatie waar professionals klem raken in gestandaardiseerde werkprocessen. Rechters wijken niet af van specialisten, accountants, leraren, topvoetballers, predikanten of andere hoog opgeleide professionals. Professionals klagen óveral over het management en willen óveral de macht over hun werk terug.

Otte publiceerde eerder over dit thema. Maar dat had weinig effect. Nu wilde hij een steen in de vijver gooien. “Na een lange periode van standaardisatie van werkprocessen, van rationalisering moeten we de balans opmaken. Nemen strafrechters en bestuurders samen wel de verantwoordelijkheid voor de werkstroom? De wijze waarop wij intern met elkaar omgaan is onvoldoende onderwerp van debat.”

Sommige delen van het boek schreef hij tien, twaalf jaar geleden. Het manuscript was al eind 2009 klaar. Het is vooral bedoeld voor de eigen beroepsgroep. Dat het boek nu middenin een publiek debat over het vertrouwen in de rechter ploft, na de gerechtelijke dwalingen in de zaken Post en Lucia de Berk en de wraking in het proces-Wilders “voelt niet goed”. Maar terug kan hij niet meer. Otte wil vooral dat het werk van de strafrechter anders wordt ingericht. Hij ontkent dat zijn boek een misstand laat zien of dat de kwaliteit van de strafrechtspraak in het geding is. Als dat zo zou zijn „dan is het in elk domein van de samenleving grondig mis”. In een groot ziekenhuis gaat het niet anders dan bij een grote rechtbank. „Het boek is toevallig opgehangen aan de rechterlijke macht.”

Iedere rechter erkent volgens hem dat er ‘grote spanningen’ zijn in de organisatie. En dat zal iedere professional die in de zorg of het onderwijs werkt ook doen. Bestuurders en professionals ‘wandelen niet dezelfde koers’. De spanningen zijn de laatste vijf à tien jaar bovendien groter geworden. Dan gaat het steeds over inmenging van bestuurders in wat professionals, in dit geval strafrechters, als hun eigen domein zien.

Mijn verbazing over rechters die de leidinggevende collega per e-mail beloven ‘als je daarvoor stemt weten we je te vinden’ wuift hij weg. Dat komt alleen omdat het onbekend is. „Als je ziet wat de slager gebruikt om corned beef te maken, dan lust je het ook niet meer’’, zegt hij. „Als de toga uitgaat, dan zijn het gewoon mensen van vlees en bloed die samen een werkgemeenschap moeten bouwen.” In een rechtbank wordt niet meer gekijfd dan in een kerkgemeenschap over de koers van de predicatie, denkt hij. Otte verbaast zich over mijn verbazing. “Maar dat kan hospitalisatie van mijn kant zijn!’’

INGEWIKKELD

Waar zit de pijn bij rechters? Otte beschrijft de hoog opgeleide professional als iemand die een stempel op zijn werk wil zetten en daarbij zo min mogelijk gestoord wil worden. Werken in een grootschalige organisatie, als keten in een “immens ingewikkeld” productieproces waarop ze weinig greep hebben, vervreemdt strafrechters. Ze ervaren dat hun positie niet meer het gewicht heeft dat ze er zelf aan toekennen. Bitterheid kan het resultaat zijn. De arbeidsdeling is zo ver doorgezet dat er “rechters bij de gerechtshoven zijn die niet het handwerk bij de rechtbank hebben geleerd en die geen arrest meer zelfstandig kunnen schrijven”, zegt hij in zijn oratie. De rechter “is niet langer de zon waar de anderen bij het gerecht als planeten omheen cirkelen”. Hij is een veredelde beslisambtenaar geworden, afhankelijk van de organisatie die zijn werk voor hem organiseert, zijn werklast berekent, productienormen oplegt en de lopende band gaande houdt. ‘Productieboeren’ die geen greep hebben op de ondersteuning of voorbereiding van het werk. En hun omgeving ervaren als bureaucratisch en anoniem.

Het resultaat is volgens Otte inertie. Hij schetst een calculerende, ‘verambtelijkte’ rechter die zijn roeping inruilde voor de weegschaal, waarop hij de eigen werklast nauwkeurig vergelijkt met die van de kamergenoot. De moderne rechter en griffier zijn bovendien kind van hun tijd: mondige individualisten die zelfontplooiing en geluk eisen, ook van hun baas. Binnen de gerechten is, net als daarbuiten, een ‘opiniedemocratie’ ontstaan, waarin een deel van de strafrechters zijn particuliere mening geeft en die ook voor relevant houdt. „Wie boos is, heeft al bijna gelijk”, vat Otte samen. Eigenwijsheid en gebrek aan zelfkritiek horen ook bij professionals. Er zijn duidelijk ‘attitudeproblemen’. Met het gerechtsbestuur wordt nauwelijks open gepraat en onderling evenmin. “Je ziet communicatie over en weer van doofstommen, men bereikt elkaar niet.”

VERANTWOORDING

Hij eindigt zijn boek met 47 stellingen, waarvan de eerste luidt dat de aanstelling voor het leven geen kwaliteitskeurmerk is. Moeten rechters die opgeven? Hij omzeilt de vraag, maar wil wel zeggen de onaantastbare rechtspositie van de rechter „een groot probleem” te vinden. “Het mag niet verkeren in een houding dat je niks gemaakt kan worden.” In de rechtszaal is een levensvaste aanstelling juist een borg voor een rechter die tegen de publieke of politieke opinie in moet durven gaan. Rechters zijn voor het leven benoemd, althans tot hun zeventigste. Ze kunnen niet worden afgezet of overgeplaatst en zijn geen verantwoording verschuldigd aan de minister van Justitie of de politiek.

Otte vindt dat rechters op hun arbeidshouding gecorrigeerd moeten kunnen worden, dat gerechtsbesturen recht op inzage in de functioneringsgespreksverslagen moeten krijgen, dat rechters zich meer in hun kaarten moeten laten kijken. Door collega’s en leidinggevenden. Zowel in de raadkamer als op de zitting. Ze moeten ‘kenbaar’ zijn in hun voorbereiding, planning en organisatie en daarover verantwoording durven af te leggen. Daar is veel winst te halen. Nu gedragen rechters zich te vaak als de prinses op de erwt. Gevoelig en lichtgeraakt. Misschien komt dat ook doordat sommigen ‘te lang’ rechter zijn. “Op enig moment immuniseer je op grond van je ambt, dat met allure is omgeven, voor kritiek.” Die “dwarse, mopperige houding” zou met de toga afgelegd moeten worden, zegt hij. Wat meer decorum, bescheidenheid en beroepstrots binnen het bedrijf tonen, dat zou al geweldig helpen. Hij geeft toe dat de rechterlijke organisatie stagneert en ouderwets is. Althans achterloopt bij andere overheidsinstellingen.

Een oproep aan de politiek, of aan de wetgever, is zijn boek niet. “Het gaat mij om die 2.500 rechters, althans de strafrechters onder hen, dat zij de hand in eigen boezem steken. Zo verschrikkelijk is het allemaal nu ook niet. Op papier klinkt het hard, maar het gebeurt overal. En het was twintig jaar geleden ook zo. Eigenlijk roep ik iedereen op tot matiging – een grootschalig rechterlijk proces is immens ingewikkeld. Wees bescheiden, gebruik geen grote woorden, werk wat harder, dat geeft ook meer bevrediging. Luister meer en mopper niet zo veel. We moeten eerst met elkaar onder ogen zien dat wat we nu doen te weinig rendement oplevert. Er zijn te veel financiële tekorten. En de rechter kan te weinig een stempel op z’n werk zetten. Nee, ik ben niet sceptisch over de mogelijkheden om het beter en leefbaarder te maken.’’