Het failliet van het openbare onderwijs

Het IDFA vertoont de documentaire Waiting for Superman. Een fraaie film, maar de maker heeft zich te makkelijk laten meeslepen in een goed/fout-schema.

scene uit de documentaire Waiting for Superman (2010) FOTO: IDFA

Ergens in de staat New York zitten honderden leraren hele dagen te lummelen in een soort koffiekamer. De praktijk heeft uitgewezen dat ze ongeschikt zijn voor hun vak, maar de macht van de onderwijsbonden is zo groot dat de overheid ze niet kan ontslaan. En dus heeft een bureaucraat bedacht dat ze zich hier elke dag moeten melden. Gesubsidieerde losers.

Het is een ontluisterende detail in Waiting for Superman, de fraaie documentaire van Davis Guggenheim (maker van An Inconvenient Truth) over het morele failliet van het openbaar onderwijs in de VS. Guggenheim vertelt het verhaal van armoedige ouders die hemel en aarde bewegen om hun kind op een goede school te krijgen. De maatschappij is een ratrace en wie zijn 5-jarige daaraan niet meteen blootstelt, zet hem voor de rest van zijn leven op achterstand.

Omdat de meeste openbare scholen onder de maat zijn, signaleert Guggenheim dat ouders al hun hoop vestigen op zogenoemde charter schools, particuliere contractscholen. Die presteren beter; vakbonden hebben er minder te vertellen.

Het leidt tot een diepdroevige finale: ouders die in een gymzaal met hun kinderen wachten op de uitslag van een loting. Als hun nummertje wordt getrokken komen ze op een contractschool. Hoera. Als dat niet het geval is – en dat heb je vaak met loterijen – is al hun moeite voor niets geweest.

En dit alles, laat Guggenheim zien, omdat vakbonden hun leden belangrijker vinden dan schoolkinderen. Die klaplopers in New York staan kortom voor iets veel groters. De filmmaker laat dan ook geen middel onbenut om de baas van de bonden te profileren als demagogische apparatsjik. Een monster van stalinistische proporties.

Toen de film twee maanden terug in de VS uitkwam was de marketing voortreffelijk, zoals altijd bij Guggenheim. Oprah Winfrey ging erop in, Obama zei iets vriendelijks, en Mark Zuckerberg van Facebook gaf 100 miljoen dollar aan Newark, in New Jersey, waar zwaar wordt geïnvesteerd in contractscholen.

De film past dus in een trend. Het is geen grote intellectuele prestatie: de maker toont een werkelijkheid zoals moderne beleidsmakers en culturele iconen die graag zien.

Alleen al daarom is er reden voor argwaan. Terecht. In de VS is inmiddels vast komen te staan dat de voornaamste premisse van de film – dat contractscholen betere leerlingen afleveren – domweg onjuist is. Kenmerk van een contractschool is dat het bestuur in particuliere handen is. De burger is de baas – dat willen Amerikanen graag. Een ander kenmerk is dat contractscholen zich vastleggen op prestaties. In ruil daarvoor hoeven ze zich niet aan de regels van openbare scholen te houden: zij mogen de onderwijs-cao en andere regeltjes negeren.

Het is erger voor de filmmaker: in enkele van de contractscholen die hij in Waiting for Superman ophemelt blijkt de leiding alweer jaren terug een coalitie te hebben gesloten met de onderwijsvakbonden. De veronderstelling dat zij de crisis in het onderwijs veroorzaken is kortom flauwekul.

Het goed/fout-schema van de bekende filmmaker laat te veel complicaties weg om de werkelijkheid maar enigszins te benaderen. Het werkelijke probleem zijn niet de vakbonden, maar het feit dat mensen met geld zich van de openbare scholen hebben afgewend, waardoor ze zijn achtergebleven met minder middelenen meer kinderen uit armoedegezinnen.

Vertoning ma 22 nov (12u15, Tuschinski 1) en vr 26 (13u45, Munt 10).