Het belang van de rechtsstaat zou evident moeten zijn

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vormt een inbreuk op de democratie omdat het wetten en regelingen buiten werking stelt. Universele principes van rechtvaardigheid kunnen niet overal op de zelfde manier worden geïnterpreteerd. De macht om de aard van een „fundamenteel recht” te bepalen, is politiek. Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft dan ook politiek benoemde rechters en wordt in evenwicht gehouden door het Congres. Maar naarmate een constitutioneel hof meer internationale jurisdictie krijgt, wordt minder rekening gehouden met specifiek nationale culturele en maatschappelijke context. Dat betoogde Thierry Baudet vorige week. Zijn grotere essay staat in de artikelenbundel ‘Leve de Rechtsstaat’ van Forum. Een greep uit de vele reacties.

De invloedssfeer van het Europese Hof reikt inderdaad ver

Aan de bijdrage van Thierry Baudet (Opinie &Debat, 14 november) over de verstrekkende bemoeienis van het Europees Hof in Straatsburg ontleen ik – met name door de fraaie illustratie met de inktvis – de volgende herinnering.

Op 23 oktober 1985 ging bij mij op mijn werkkamer in het gebouw van de Raad van State te Den Haag de telefoon. Aan de lijn was de landsadvocaat, die me mededeelde dat het Europees Hof in Straatsburg had geoordeeld dat de mogelijkheid tot ‘beroep op de Kroon’ (koningin en ministers) in strijd was met artikel 6 van het EVRM.

De feiten in de zogeheten zaak-Benthem, waarin deze in beroep kwam, waren aldus. Benthem had een vergunning voor een (uitbreiding van) een LPG-tankstation in Wolvega, Friesland. De inspecteur voor de Volksgezondheid had tegen de verlening van deze vergunning beroep op de Kroon ingesteld. Hij vond dat de gastanks te dicht bij de bewoonde buurt geprojecteerd waren. Het beroep werd gehonoreerd en de Kroon ‘ontnam’ Benthem zijn vergunning.

Benthems raadsman zag in dit alles aanleiding een klacht tegen de Nederlandse Staat in te dienen, omdat het in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM om slechts bij de overheid te kunnen protesteren tegen een overheidsbeslissing. Na vijf à zes jaar werd dit Kroonberoep, op basis van deze ene zaak, categorisch in strijd verklaard met artikel 6 EVRM.

De klacht van Benthem was terecht: een orgaan van de overheid – in casu de inspecteur – had immers beroep ingesteld bij de Kroon, waarna diezelfde overheid (de Kroon) het beroep gegrond verklaarde.

Een klemmende vraag rijst echter of een Europees Hof (rechtsprekend buiten Nederland) een substantieel onderdeel van het rechtsstelsel strijdig met het EVRM moet kunnen verklaren.

Voortbouwend op de conclusies van Baudet kan ik niet anders dan deze vraag na precies 25 jaren nog steeds met alle overtuiging ontkennend beantwoorden. Het Europees Hof trad namelijk buiten het geschil met Benthem om, om het Nederlandse kroonberoep in zijn volle omvang te torpederen. Zover had het Europees Hof nooit mogen gaan.

Mr. H. Gerbrandij

Voormalig hoofd Stafafdeling Geschillen van Bestuur van de Raad van State, Den Haag.

Thierry Baudet vergeet het bestaan van de democratische rechtsstaat

Het artikel van Thierry Baudet over het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is eendimensionaal, eenzijdig en op cruciale punten onjuist.

Laat ik een aantal punten van kritiek noemen. Allereerst is het stuk eendimensionaal omdat Baudet louter redeneert vanuit het perspectief van democratie. Bemoeienis van de rechter, rechterlijk toetsingsrecht en rechterlijke controle zijn immers eerder gedacht vanuit het perspectief van de rechtsstaat. Of, zo u wilt: de democratische rechtsstaat, de rechtsstaat waarin zelfs de politiek of de wil van de meerderheid aan banden ligt en kan worden gecontroleerd door de rechter. Maar ook vanuit democratisch perspectief is er veel op de stelling van Baudet aan te merken.

Waarom beschouwen we fundamentele rechten en vrijheden, als neergelegd in een Grondwet of verdrag, niet als de meest fundamentele uiting van de volkswil? Het is dan zeer democratisch om dat soort rechten tegen de wil van de wetgever af te dwingen; door dat te doen, respecteert de rechter de fundamentele en constante basale volkswil. Als je de Nederlander ondervraagt of wij moeten meewerken aan onmenselijke en wrede behandeling, zal de overgrote meerderheid ontkennend antwoorden.

In de tweede plaats is democratie niet simpel de helft plus één. Democratie omvat dat burgers serieus worden genomen en als burgers dienen te worden behandeld, dat het, met andere woorden, een onderdeel van democratie is om fundamentele rechten te beschermen teneinde daarmee de democratie te beschermen. In die zin is een rechter, en het rechterlijk toetsingsrecht, niet alleen te verenigen met democratie, maar daar tevens een cruciaal onderdeel van, ook als de rechter een oordeel velt dat de meerderheid niet goed uitkomt.

Baudet vergelijkt het EHRM tevens met het Amerikaanse Hooggerechtshof en zegt dan dat het EHRM niet deugt omdat er, anders dan in de VS, geen wetgever is die constitutionele uitspraken ervan ongedaan kan maken. Dat is onjuist. In de VS kan het namelijk ook niet: de Amerikaanse wetgever kan een uitspraak van het Supreme Court waarin een wet ongrondwettig wordt verklaard, niet overrulen.

Enkele decennia geleden oordeelde het Supreme Court dat het besluiten van enkele staten om de vlagverbranding te verbieden, ongrondwettig was; als vorm van meningsuiting vereiste die handeling bescherming van het Eerste Amendement van de Grondwet. De wetgever, het Congres, en de president, de uitvoerende macht, deelden deze grondwetsuitleg niet en maakten een wet waarin aangegeven werd dat de vlag te alle tijden geëerbiedigd diende te worden. Ook deze wet werd door het Supreme Court ongrondwettig geoordeeld.

Men had vervolgens de Grondwet kunnen veranderen, maar dat is zo ingewikkeld dat het nauwelijks voorkomt. En op dat punt is de situatie bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gelijk: bij onwelgevallige oordelen, bij een Europees Hof dat het volledig verkeerd doet , kan worden ingegrepen, namelijk door het Verdrag middels een nieuw protocol te veranderen.

Is het gek dat de Nederlands rechter louter wetgeving aan verdragen kan toetsen en niet aan de eigen grondwet? Ja, dat is al decennia een anomalie, die onze volksvertegenwoordigers al meer dan een halve eeuw in stand hebben gelaten. Maar gelukkig hadden en hebben we het EHRM en EVRM. Gelijke behandeling in het personen- en familierecht, meer waarborgen in het strafrecht, vrije meningsuiting, bescherming van het eigendomsrecht, bescherming van de privacy en vele andere mooie zaken zijn dankzij EHRM, verdrag en nationale rechter versterkt en beschermd. Gelukkig maar, en erg democratisch.

Aalt Willem Heringa

Hoogleraar en decaan, Faculteit der Rechtsgeleerdheid Universiteit Maastricht

Kent Baudet het EVRM eigenlijk wel? Het lijkt er niet op

Het opiniestuk van Thierry Baudet over het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het bijbehorende Hof is een teken van een tijd waarin alles Europees, internationaal wantrouwig wordt bezien en met een beroep op nationale soevereiniteit en cultuur deze duistere invloeden zoveel mogelijk worden buitengesloten. Dat is jammer, want vooral het EVRM is van onschatbare waarde, niet alleen voor Nederland, maar ook voor de ontwikkeling van de rechtsstaat elders in Europa. Helaas geeft Baudet een volledig verkeerd beeld van de werkelijkheid. Feitelijk en historisch gezien had hij moeten vermelden dat het EVRM voortkomt uit de Raad van Europa, waarvan ook Rusland en Turkije lid zijn. Door te stellen dat het EVRM slechts van pas zou komen bij onder meer genocide, miskent hij tevens dat het EVRM juist is opgesteld deze te voorkomen.

Een van de beweringen die tegengesproken moet worden, heeft betrekking op het gebrek aan ruimte die er voor nationale diversiteit zou bestaan. Dat het Hof geen ruimte biedt voor de verschillende culturele en maatschappelijke omstandigheden van elke staat die partij is bij het EVRM en slechts toetst aan de eigen opvattingen, is simpelweg niet waar. Volgens vaste jurisprudentie heeft elke Staat een zogenaamde ‘margin of appreciation’ om zelf te bepalen of een beperking van een recht noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het Hof redeneert juist dat de staat in principe zelf het beste in staat is om te beoordelen of iets noodzakelijk is in de eigen maatschappij, of niet. Dat daar een ondergrens aan zit is niet meer dan logisch, want anders zou het Europees geformuleerde recht niets inhouden.

Mag dan gesteld worden dat Baudet het EVRM eigenlijk helemaal niet kent? Misschien wel, want met het voorbeeld van ‘het recht op leven’ dat hij hanteert in een poging aan te geven hoever het Hof misschien zou kunnen gaan, lijkt de plank toch flink misgeslagen te worden. Zo beweert hij dat op basis van dit recht die vervelende buitenlandse rechters weleens zouden kunnen bepalen of er wel of niet een recht op abortus of euthanasie bestaat. In de jurisprudentie beperkt het Hof slechts de eerdergenoemde ‘margin of appreciation’ als er onder andere sprake is van een Europese consensus over een bepaalde norm. In ‘Pretty vs. UK’ liet het Hof het ook aan het Verenigd Koninkrijk om te bepalen of de strafbaarstelling van euthanasie noodzakelijk was in de Britse samenleving. Dat het Verenigde Koninkrijk dit inderdaad strafbaar stelde, in tegenstelling tot een aantal andere Europese landen, was aan het land zelf om te beslissen.

Een verwarring van de verschillende mensenrechtentypes is er bij Baudet ook ingeslopen. Hij suggereert dat onder het recht op leven ook een recht op (gratis) gezondheidszorg zou rijzen, of huisvesting. Deze vallen echter onder de categorie economische, sociale en culturele rechten die niet in het EVRM staan, en het klassieke, burgerlijke recht op leven zal dan ook niet zodanig geïnterpreteerd worden. Daarnaast zijn die economische, sociale en culturele rechten nog eens in andere verdragen op een geheel andere wijze geformuleerd, namelijk als inspanningsverplichtingen en niet als resultaatsverplichtingen.

Baudet voornaamste argument is het bestaan van een democratisch deficit. Het Hof is niet democratisch gekozen, staat niet onder controle van een democratisch orgaan, en ‘overruled’ democratisch tot stand gekomen wetgeving. Op zich een zeer valide punt, maar dit punt lijkt slechts de antipathie tegen grondrechten/mensenrechten in het algemeen te verhullen, terwijl dit toch niet slechts juridische obstakels zijn voor de overheid, maar ook morele piketpaaltjes: waarden die we na streven voor iedereen. Grondrechten moeten volgens Baudet slechts een ‘handleiding’ zijn voor de wetgever, maar hij gaat daarbij voorbij aan het feit dat de wetgever in een democratische samenleving altijd een afweging moet maken tussen het individuele en algemene belang. Het individu is hier te lande het uitgangspunt. Hoe zou die, anders dan door de verplichte eerbiediging van individuele grondrechten door de wetgever, dan moeten worden beschermd?

Dat Baudet dit stuk schrijft in het kader van de Nacht van de Rechtsstaat is des te schrijnender omdat grondrechten het fundament vormen voor de rechtsstaat en een noodzakelijke voorwaarde zijn voor een goed functionerende democratie. In landen waar de rechtsstaat onder druk staat of nog onderontwikkeld is, komt het EVRM juist als geroepen.

Het is dan ook paradoxaal dat Baudet blijkbaar wel vindt dat deze grondrechten universeel zijn, maar dat staten zelf moeten kunnen besluiten hoe die grondrechten verwezenlijkt dan wel gerespecteerd moeten worden. Juist diegenen die de rechtsstaat een warm hart toedragen zouden het EVRM van harte moeten steunen.

Kenneth Manusama

Universitair docent Internationaal Recht aan de Vrije Universiteit.