Haagse pers is juist niet intiem genoeg met Haagse politiek

Over het nieuwe boek van Joris Luyendijk ontstond ook in de krant de nodige opwinding. Maar waarom eigenlijk?

Journalisten, een beroepsgroep die uitgerust is met een breekbaar ego, zijn niet altijd even goed geweest in het omgaan met kritiek.

Gonzojournalist Hunter Thompson kon in 1974, tijdens het Watergate-schandaal, nog onbekommerd tekeergaan tegen docenten journalistiek. Vol leedvermaak fantaseerde hij hoe elke ochtend hun maag omdraaide als zij de krant op de mat hoorden ploffen: wéér een vernedering. Immers: zij die het kunnen, doen het. Zij die het niet kunnen, geven les.

Maar dat is lang geleden. Het zelfvertrouwen van de pers heeft averij opgelopen door internet, dalende oplagecijfers, en een populistische afkeer van ‘de media’ (onzijdig, enkelvoud). Het succesvolste mediaboek van de laatste jaren was niet voor niets Joris Luyendijks Het zijn net mensen, waarin hij laat zien hoe de media, televisie voorop, de werkelijkheid construeren en vertekenen.

Dat is kritiek die appelleert aan bozige clichés over de media, maar ook aan de existentiële onzekerheid van de ‘oude journalistiek’ zelf. Vandaar de gretigheid waarmee journalisten bovenop zulke kritiek springen, een reflex op het kruispunt van masochisme en zelfrechtvaardiging.

Het bleek deze week opnieuw, toen Luyendijk zijn nieuwe werk presenteerde, Je hebt het niet van mij. Daarin moeten vooral Haagse journalisten het ontgelden. Onder de kaasstolp leven die volgens hem in een gesloten, ondoorzichtig wereldje. „Outsiders kunnen in Den Haag alles opschrijven maar weten bijna niks. Insiders weten heel veel maar kunnen bijna niks meer opschrijven”, aldus Luyendijk, die erbij zegt dat hij ‘chargeert’.

Over dat boekje ontstond al voor publicatie rumoer, ook bij deze krant. De chef van de nieuwe mediapagina wilde er meteen flink mee uitpakken, omdat het om het functioneren van de media ging; de bijlage Boeken bezon zich op actie; next bereidde met Luyendijk een hele serie voor – en als hekkensluiter wilde ook de ombudsman, die de nervositeit begon op te snuiven, een duit in het zakje doen.

Het leidde tot een rare hink-stap-sprong in de berichtgeving. Maandag verscheen het stuk op de mediapagina, geschreven door twee Haagse redacteuren, ruim voordat het boekje werd gepresenteerd. Snel, maar ja, niemand wil natuurlijk een hype missen. Alleen, het stuk (met zinnen als: ‘Als het boek scherpe analyses of verrassende inzichten bevat, zijn die ons ontgaan’, en: ‘Die weg moet hij maar zonder ons bewandelen’) was een opgewonden mengeling van recensie en opiniestuk. Het had dus op Opinie moeten staan, vind ik, of in de boekenbijlage. Scheiding van nieuws en mening blijft een goed idee.

Dan nog is het de vraag of je zo’n stuk moet laten schrijven door Haagse redacteuren van de eigen krant. Ja, juist, zegt de chef media, want ze hebben er verstand van. Maar je brengt hen zo ook in een lastige spagaat, vind ik, en het wekt de indruk dat de krant zijn eigen straatje schoonveegt. Waarom niet een aantal Haagse veteranen aan het woord laten, of een keur van journalisten en politici? En: vertellen wat er in het boekje staat.

Maar toen brandde next alweer los, met de eerste van een hele reeks artikelen. Dat stuk werd woensdag prominent overgenomen in NRC Handelsblad – twee dagen nadat het boek daar was afgeserveerd. Toch interessant, dus? Boeken heeft inmiddels afgezien van een bespreking. Logisch, na al die aandacht, maar toch ook jammer. Wat zou een politicoloog of echte antropoloog ervan vinden?

Luyendijk wil nu gaan uitzoeken ‘hoe Den Haag werkt’. Dat gaat om vragen als: hoe belangrijk zijn ‘informele contacten’, wat doet een lobbyist eigenlijk, wie zijn er lid van Nieuwspoort. Over dat Umfelt van de politiek valt inderdaad van alles uit te zoeken en dat kan interessant zijn (zou Victor Baarn lid zijn van Nieuwspoort?) We wachten de resultaten dan ook met belangstelling af.

Ik hoop alleen niet dat het bijdraagt aan het populistische cliché van Haagse journalistiek als een obscuur gezelschapsspel onder de stolp.

Onlangs heb ik een dag meegelopen met de Haagse redactie, en wat mij opviel was juist hoe groot de afstand is tussen politici en de pers. Bijna alles is gereguleerd, of geritualiseerd (zoals het opstootje met draaiende camera’s bij de vergaderzaal). Goed, nu nog 364 dagen – maar die eerste indruk bevestigt niet het beeld van innige verstrengeling. Eerder het tegendeel: het is daar in die helverlichte gangen veel te transparant.

Je kunt denk ik ook het tegendeel beweren van Luyendijk: het probleem in Den Haag is niet dat pers en politiek te veel, maar te weinig verweven zijn. Journalisten worden op afstand gehouden of juist doelwit gemaakt van ‘mediastrategieën’. Politici en spin doctors zijn daar steeds bedrevener in geworden. Zelfs de ontboezeming (snik) is al bijna een vast onderdeel van een ‘mediaprofiel’.

Goede journalistiek – daar hadden de Haagse redacteuren maandag natuurlijk gelijk in – vereist daarentegen het zelf aanboren, onderhouden en ook beschermen van bronnen. Volledige ‘transparantie’ is in dat opzicht journalistieke zelfmoord.

Deze krant had recentelijk een paar mooie Haagse primeurs: de audiëntie van minister in spe Leers bij Wilders, het aftasten van linkse samenwerking. Dat willen wij lezers weten, maar zulk nieuws diep je niet op als antropoloog. Journalisten moeten met politici de kantine en het café in – het bed hoeft niet – en zelfs buiten kantooruren met hen praten. Ja, schandalig.

Haagse journalistiek lijkt mij nu moeilijker dan toen de pers aan het Binnenhof nog ongehinderd door een legertje voorlichters ‘de geur van wilde beesten’ kon opsnuiven. Zoiets kun je alleen doorbreken door politici dicht op de huid te zitten. Dus hoezo minder ‘verstrengeling’? Méér!

En de krant moet zich voortaan niet zo laten opjutten door het vermoeden van een hype.

Maar dat heeft u niet van mij.