Een uitstervend ras, de clubman

Deze week bepleitte Johan Cruijff een ‘revolutie’ bij Ajax. Hiervoor zet hij z’n vrienden in. Wat beweegt Nederlands beste voetballer ooit?

Het verschijnsel Johan Cruijff houdt al bijna een halve eeuw de gemoederen bij voetbalclub Ajax bezig. Sinds hij op 15 november 1964 in Groningen tegen GVAV als 17-jarige zijn debuut maakte in het eerste elftal én scoorde, brengt elke hartekreet van dit kind van Ajax onrust in het Amsterdamse gezin. ‘Johan’ mag dan weleens lastig en ongrijpbaar zijn, hij is wel de mooiste zoon van allemaal. Cruijff moet gekoesterd worden. Zonder Cruijff had Ajax nooit zo veel aanzien in de wereld verworven. Daar is iedere échte Ajacied van doordrongen.

Waar hij komt vallen gesprekken stil. Waar hij binnenvalt wordt de beste stoel voor hem vrijgemaakt, worden agenda’s terzijde geschoven en wierookstokjes aangestoken. Johan Cruijff is binnen. Beminnelijk, betrokken, en o zo gewoon, maar ook machteloos en hulpeloos tegen zoveel blinde adoratie. Voor hem hoeft deze devotie niet. „Alsof ik een relikwie ben uit het Heilige Graf”, zei hij eens. Hij is maar een voetballer, een jongen die slechts zielsveel van zijn spelletje houdt.

Wanneer hij praat, luistert iedereen. Niet dat iedereen zijn betoog begrijpt of onderschrijft, maar geluisterd wordt er. Dat is altijd zo geweest bij ‘die kleine’ uit Betondorp. Al als jeugdvoetballer had Cruijff het hoogste woord. Hij werd Flipper genoemd, omdat zijn mondje nooit stilstond, net als die dolfijn uit de televisieserie. Hij vertelde zijn trainers zoals Vic Buckingham en Rinus Michels al hoe de tactiek en de opstelling moest zijn. En ze negeerden hem niet. Ze legden hem straffen op als hij niet gehoorzaamde, maar zagen wel in dat hij iets te vertellen had – en dat hij achteraf gelijk had.

Marco van Basten, na Cruijff de meest geliefde zoon in de Ajaxfamilie, zei eens: „Ik word gek van Johan, want hij wil altijd gelijk hebben. En twee maanden later word ik nog gekker, want dan blijkt dat hij gelijk had.” Piet Keizer, met wie Cruijff jarenlang speelde, vertelde het verhaal van Cruijff die voor het eerst in New York kwam, in een taxi stapte, tegen de chauffeur zei hoe hij moest rijden en vervolgens in korte tijd op de plaats van bestemming arriveerde. De Nederlandse topgolfer Maarten Lafeber, die vaak met de fanatieke maar matige golfer Cruijff speelt, werd gewezen op zijn foutieve grip. En ja, Lafeber sloeg zowaar de ballen beter. Johan vertelde zijn vrouw Danny nog hoe zij aardappels moest bakken, hoewel hij nooit in de keuken stond.

Je gaat het pas zien als je het doorhebt, zo heet het boek van Pieter Winsemius, natuurkundige, oud-minister van VROM en organisatieadviseur, een man die blind vaart op de wijsheden van Cruijff. „Weet je waarom ik altijd zelf ingooide? Dan stond ik altijd vrij”, grapte Cruijff eens tijdens van zijn analyses voor de NOS. Of: „Ieder nadeel heb z’n voordeel”. Of: „Je helpt iemand het meest als je een keer wegloopt.” Cruijff, 63 jaar, vader en grootvader, onderstreept zijn logica met oneliners die iedereen begrijpt, maar zodra hij ze aan leken gaat verklaren raakt hij verstrikt in verwarrende terminologieën. Het klopt altijd, het is de waarheid. Maar waarom kan niet iedereen hem volgen? Het is als bij een boeddhist die zijn leraar vraagt waarom hij zo moet lijden. Waarop de leraar antwoordt: „Volg het blad dat van de boom valt.”

Waar heeft deze begenadigde voetballer van weleer het over? Voetballers met wie hij speelde en die hij trainde, konden gebiologeerd naar hem luisteren. Toen Cruijff nog in voetbaltenue, met voetbalschoenen aan, trainingen gaf, liet hij met bewegingen en passes zien hoe een strategie zich ontvouwde. Verdediger Keje Molenaar werd minutenlang met kromme passes langs de zijlijn duidelijk gemaakt hoe hij moest lopen en vervolgens voorzetten moest geven. Molenaar is nog altijd diep onder de indruk van deze lessen.

Cruijff speelde als trainer van Barcelona aan de vooravond van de Champions League-finale in Athene tegen AC Milan in spelerstenue, handen in de zak, een rondootje met Romario en Stoitsjkov. Tik-tik-tik, weg Stoitsjkov. Cruijff en Romario vlogen elkaar in de armen van plezier. Stoitjskov schoot uit woede de bal het stadion uit. Cruijff leed de volgende dag een ontluisterende nederlaag tegen Milan (0-4). De nederlaag moet hem als voetballer pijn hebben gedaan. Nederlagen negeert hij, of het moet de vroege dood zijn van zijn vader, met wie hij nog dagelijks contact zegt te hebben. Groenteman Manus Cruijff overleed toen Johan twaalf was.

Cruijff kan geen trainer meer zijn. Vooral sinds zijn hartaanval in 1991 is hij er lichamelijk niet meer toe in staat. Zijn vrouw waakt over hem, zoals zij hem in 1978 weerhield naar het WK in Argentinië te gaan. Zes weken van huis? Nee, het gezin gaat nu voor. Het is een van de redenen waarom familieman Cruijff (twee dochters en een zoon) niet meer terugkeert op het veld, niet als trainer, niet als technisch directeur of manager. Hem rest alleen dat orgaan diep in zijn lijf, zijn ziel, dat hem emotioneel beweegt. Cruijff, zo begaan met kansarme kinderen die hij via zijn Cruyff Foundation helpt, leeft op emotie. Ajax en later Barcelona dat hem vervolgens opnam als De Verlosser, maken zijn leven waardevol.

Cruijff trekt aan en stoot af. Dat klinkt pathologisch – en is het ook. „Rancune is de belangrijkste motivatie”, zei hij. Of hij verslaafd is aan aandacht, net als Maradona, Pelé, Beckenbauer en andere bewierookte voetbalhelden? Zij kunnen niet zonder het verblindende licht van bühnelampen.

Bij Cruijff gaat hem om meer. Ajax zit al vanaf zijn jeugd in zijn systeem. Hij woonde op schootsafstand van het oude Ajaxstadion De Meer. Zijn moeder maakte er de kleedkamers schoon, zijn tweede vader ‘ome Henk’ was er terreinknecht. Niemand weet wanneer hij lid is geworden. Hij speelde er gewoon met zijn vriendjes en zijn broer, en werd automatisch lid. Hij kende later als speler en als trainer iedereen bij de club. Hij maakte geen onderscheid, iedereen was hem even lief. Een uitstervend ras: de clubman.

Daarom weet hij nog steeds alles, vooral dankzij zijn jeugdvrienden en oud-voetballers. Mensen die zich op alle gebieden in de samenleving hebben gespecialiseerd en ontwikkeld. De bewondering blijft. Voor een even drammerige als verstandige wijsneus. Het orakel zal net als vroeger het orakel van Delphi een voorspellende gave hebben. Maar opportunisme is in voetbal doorslaggevender dan welke afgod ook. Realiseert Johan Cruijff zich dat wel? Vast en zeker. Maar zijn hart ligt nu eenmaal bij voetbal, bij Ajax in het bijzonder. Hij kan niet zonder bal.