Een koekoeksjong in Den Haag

Het kabinet wil in de periode 2011-2015 bruto 18 miljard euro bezuinigen. Bij dit streven gaan premier Rutte en de zijnen hoogstwaarschijnlijk nat. Van sommige voorgenomen maatregelen staat nu al vrijwel vast dat zij technisch, maatschappelijk of politiek onhaalbaar zijn.

Zo wil het kabinet een miljard euro bezuinigen door aandoeningen met een geringe ziektelast te schrappen uit de verplichte, collectief gefinancierde basisverzekering. Degenen die vervolgens proberen zich voor de kosten van zulke aandoeningen particulier te verzekeren, komen mogelijk van een koude kermis thuis. Want zorgverzekeraars – die iedereen moeten accepteren voor de basisverzekering – mogen gegadigden voor zo’n aanvullende verzekering weren.

Wélke aandoeningen slechts een geringe ziektelast kennen, is overigens nog niet vastgesteld. Elke invulling van deze categorie zal op groot verzet stuiten. Een recent voorproefje vormde de weigering van de Tweede Kamer om de rollator uit de collectief gefinancierde zorg te halen. Terwijl die maatregel alleszins te billijken valt, want dit hulpmiddel kost tweedehands minder dan honderd euro.

Er zijn dus nog onbekende bezuinigingen op komst, maar tegelijkertijd stopt het kabinet de sector in de komende vier jaar ook weer een miljard euro extra toe, hoofdzakelijk voor verbeteringen in de ouderenzorg.

Ogenschijnlijk maakt het zorgbudget dus pas op de plaats. De opbrengst van de beoogde inperking van de basisverzekering en het extra geld voor verzorgings- en verpleeghuizen houden elkaar immers min of meer in evenwicht. Maar deze maatregelen van het kabinet zijn slechts borduursel op het stramien van trendmatig oplopende zorgkosten.

Het Centraal Planbureau (CPB) neemt – rekening houdend met de afspraken uit het regeerakkoord – op grond van ervaringsgegevens aan dat de collectief gefinancierde zorguitgaven tot 2015 met tien miljard euro zullen toenemen. Reëel, dus nog ongerekend het effect van loon- en prijsstijgingen.

Het kabinet heeft dit cijfer overgenomen. Daaraan ligt mede de CPB-veronderstelling ten grondslag dat het kabinet er de komende jaren in zal slagen om buiten het regeerakkoord om nog eens anderhalf miljard op de zorg te bezuinigen, als compensatie voor begrotingsoverschrijdingen uit het recente verleden.

Om deze anderhalf miljard te vinden wordt momenteel gesneden in het budget van de ziekenhuizen en zijn nieuwe kortingen op de tarieven van de specialisten aangekondigd. Mochten deze besparingen niet worden gerealiseerd, dan stijgen de zorguitgaven tot 2015 reëel niet met tien, maar met elf tot twaalf miljard euro.

Wanneer de door ziekenhuizen en specialisten betwiste bezuinigingen wél ten volle hun beslag krijgen, groeien de zorguitgaven – rekening houdend met de afspraken uit het regeerakkoord – tot 2015 reëel met de al genoemde tien miljard euro. Dit onderstreept hoezeer politici de zorgsector uit de wind houden, in vergelijking met andere terreinen van overheidszorg. Binnen het in totaal beschikbare overheidsbudget is hierdoor relatief steeds minder geld beschikbaar voor bijvoorbeeld onderwijs, wegenbouw en sociale zekerheid.

Het logische gevolg van deze gang van zaken is dat het aandeel van de zorguitgaven in de totale collectieve uitgaven sinds 2000 gestaag is toegenomen, van 13 tot 19 procent. In deze kabinetsperiode loopt dit verder op, tot ruim 22 procent (zie grafiek).

Dit verdringingsproces kent een dubbele oorzaak. Bij kabinetsformaties wordt de zorgsector in verhouding tot andere beleidsterreinen elke keer sowieso ruimhartig bedeeld. Maar terwijl de overige ministers de uitgaven op hun begroting vervolgens grosso modo beneden de bij de formatie afgesproken plafonds weten te houden, schieten de zorguitgaven steeds door hun toch al royaal bemeten plafond heen.

De voornaamste reden is dat politici het niet aandurven eenmaal geconstateerde overschrijdingen van het zorgbudget te pareren met afdoende compenserende ingrepen. Die zijn er namelijk slechts in twee smaken: zorggebruikers uit eigen zak een groter deel van de rekening laten betalen, en het collectief verzekerde en gefinancierde pakket zorgvoorzieningen uitdunnen.

Politici deinzen terug voor beide soorten maatregelen, onder andere uit vrees dat zij de zorg voor lagerbetaalden onbereikbaar maken. Hun huiver voor krachtdadige ingrepen zal verder toenemen, naarmate een vergrijzend electoraat bij verkiezingen een steeds explicieter voorkeur voor zorgvoorzieningen articuleert.

De steeds hoger oplopende zorguitgaven moeten wel collectief worden opgebracht, via premies voor de collectieve zorgverzekeringen en ten laste van de schatkist. Vooral door de stijgende zorgpremies verzwaart het kabinet-Rutte de collectieve lasten tot 2015 met twaalf miljard euro.

Daar hoor je niemand over op partijbijeenkomsten van de liberalen, die zich zo graag afficheren als kampioenen van de lastenverlichting. Maar dit verdringingsproces, waarbij de zorgsector als een koekoeksjong steeds meer uitgaven voor andere bestemmingen uit het warme nest van het collectieve budget werkt, kan natuurlijk niet eindeloos doorgaan. Ook voor andere essentiële overheidstaken – openbaar bestuur, zeeweringen, politie, onderwijs, en zo meer – moeten de nodige middelen beschikbaar blijven. Daarom vormt doeltreffende beheersing van de collectieve zorguitgaven een van de grootste opgaven, zowel voor dit kabinet als voor zijn opvolgers.